Het is verleidelijk te denken dat het titelgedicht over de dichter zelf gaat. En in zekere zin is dat ook zo: in het midden van Geert De Kockere woont een elf. Hij is gefascineerd door sprookjesfiguren: in zijn talrijke dichtbundels voor kinderen duiken ze telkens weer op. Het titelgedicht gaat echter zeker niet alleen over de dichter, het gaat ook over tegenstrijdige gevoelens die iedereen kan herkennen: enerzijds kippenvel als die elf je vanbinnen zachtjes aanraakt en anderzijds duistere gevoelens uit je ‘diepste donkerste hol’, als dat elfje verandert in een trol.
Inspiratie vindt De Kockere ook in oude bakerrijmen: in zijn gedichten maakt hij vaak gebruik van associatieve of absurde gedachtesprongen en klankrijke nonsens, van ‘kottekotkedie’ over ‘Ipskwipskweps’ en ‘naar de vogels,/ die trippen en huppelen/ en bengelen en bungelen/ en tsjilpen en puppelen’ tot ‘priet praat pruts,/ welkom zotte muts.’
Dat ‘Ipskwipskweps’ komt uit mijn favoriete gedicht uit de bundel:
Oeps
Ipskwipskweps,
op mijn boterham
met jam
zit een weps.
Een wesp!
Nee, die zit op papa’s boterham.
Met heps.
Uiterst compact, klankrijk en speels: zo staan er wel meer gedichten in de bundel. Alleen … geregeld verliest De Kockere deze sterke combinatie uit het oog en verliest hij zich in nodeloos veel woorden en flauwe of geforceerde rijmen die het poëtische onderuithalen. Zo stoort de herhaling van ‘moet’ bij het begin van ‘Vingerhoed’: ‘Oma heeft een vingerhoed./ Ik vraag haar/ wat haar vinger daarmee moet.// Het is een helm, zegt opa./ Een helm voor mijn vinger/ als hij aan het vechten moet.’ Of ‘Weet jij hoe een vis dat doet/ als hij plassen moet?/ Plast hij in zijn eigen plas?/ En zwemt hij daar dan weer in rond?? Echt?/ De vis in zijn pis,/ alsof dat niets is?’ Een strengere redactie en selectie had de bundel sterker kunnen maken.
Inhoudelijk staat er voor elk wat wils in de bundel: gedichten over opa en oma, dieren en de natuur, de zee en schelpen maar ook over tantes toverthee, stilte, lachjes, tegels, de leuning van een stoel, een vingerhoed, een regendruppel en zoveel meer. Wie aandachtig leest, kan vooral genieten van De Kockeres spel met taal. Klankspel, waardoor een kannetje een ‘kunnetje’ wordt en andersom, het spel met letterlijke en figuurlijke betekenis in uitdrukkingen als ‘de avond valt’ ‘voor de boeg hebben’ of ‘de klok rond slapen’, het geboeid zijn door mooie woorden als ‘zonovergoten’, de ode aan de verwondering in ‘Traag kijken’, waardoor je ‘een slak met een helm op’ kunt zien ‘als een raceauto tussen de sla’ of filosofische regels die je aan het denken en dromen zetten als ‘elk einde is ook een begin,/ een punt voor een nieuwe zin.// Zo is een strand/ het einde van een land/ en het begin van een zee.’
Al decennialang is De Kockere niet alleen dichter, maar ook ‘ontdekker’ van nieuw tekentalent dat hij alle ruimte biedt om hun vleugels uit te slaan in zijn boeken. In deze bundel geeft hij aan Heike Sofia Villavicencio Rammeloo zelfs extra ruimte. In het midden van de bundel zit een uitklappagina die je kunt openvouwen tot een langgerekt zeezicht vol wonderlijke combinaties: links valt de reusachtige eend op in haar kleine bootje en centraal zit een kind op een soort duin tussen een wollig wezen, een vis en een slangachtige kous. Ze maken deel uit van een decor van zand, water, schelpen en vissen. Die bevreemdende combinaties typeren ook de andere collages in het boek, waarop vooral de kindergezichten in grijstinten in het oog springen tegen de bontgekleurde decors.
Jan Van Coillie