Sapiens: een kleine geschiedenis van de mensheid (2011) van Harari is voor mij persoonlijk een van de meesterwerken uit de eenentwintigste eeuw, een boek dat mij confronteerde, aan het denken zette en veranderde. Dat hij zijn eigenzinnige én intelligente kijk op de (geschiedenis van de) mensheid ook naar kinderen toe zou brengen, stond in de sterren geschreven: zij zijn immers de toekomst van de mensheid. Of om het met het motto van zijn nieuwste boek te verwoorden: ‘Voor alle levende wezens – zij die er niet meer zijn, zij die nu leven en zij die nog komen gaan. Onze voorouders hebben de wereld gemaakt tot wat die is. Wij kunnen beslissen wat voor wereld het zal worden.’
Hoe vijanden vrienden kunnen worden is het derde deel in de reeks Het mysterie van de mens, na Hoe wij het machtigste dier op aarde werden en Waarom de wereld niet eerlijk is. De titels verraden meteen Harari’s kijk op de wereld, een kijk die confronteert en aan het denken zet, zonder zich aan de lezer op te dringen. Die eigenzinnige, verrassende benadering blijkt al meteen uit de ‘tijdlijn’ en de ‘wereldkaart’ van de geschiedenis op de schutbladen voor- en achterin het boek. In zijn inleidend hoofdstuk ‘Ben jij net als iedereen?’ legt hij ook meteen de kern van zijn visie bloot. Hij gaat in tegen het hokjesdenken, waarbij iedereen die ‘anders’ is in een hokje wordt gestopt. De geschiedenis laat zien dat zo’n hokjesdenken geen steek houdt omdat alles constant verandert: goden, talen, eten, mensen … In dit boek wil hij antwoord geven op de vraag ‘Hoe kunnen mensen die heel anders zijn met elkaar samenwerken en zelfs goede vrienden worden?’ Het is een vraag die in onze tijd bijzonder relevant is, des te meer wanneer die gesteld wordt door een Israëlisch auteur. Hij noemt het antwoord ‘een van de vreemdste verhalen die je ooit zult horen’.
Dat Harari de term ‘verhalen’ gebruikt, is geen toeval. Integendeel: verhalen vormen het wezen van zijn denken. In zijn kijk op de geschiedenis spelen ze een cruciale rol, in dit boek onder meer het verhaal van Gilgamesj, van koning Midas en het verhaal van wat hij misschien wel de slimste uitvinding noemt: het geld. Maar ook het verhaal van het Nieuwe Testament, van de Islam, van Siddharta en boeddha, verhalen die de wereld veranderden. Eindigen doet hij met de aankondiging van ‘de grootste ontdekking uit de geschiedenis’: de wetenschap. Maar dat is stof voor een volgend verhaal.
Een eensluidend antwoord op de vraag uit de titel krijgt de lezer niet, dat zou te simpel en misleidend zijn. Zoals steeds daagt Harari de lezers uit om hun eigen antwoorden te zoeken in de lessen uit de geschiedenis, antwoorden op vragen over ‘de zin van het leven’ of ‘waarom is er leed in de wereld?’ Daarbij geeft hij wel tussendoor cruciale levenswijsheden mee uit verschillende culturen en religies. Wijsheden als: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’ of ‘Ik ben mens en niets menselijks is mij vreemd’ of nog ‘Doe je best om anderen te helpen in plaats van ze kwaad te doen’.
Tegelijk stelt hij voortdurend vastgeroeste denkbeelden rond geloof, afkomst, afstamming en nationaliteit in vraag, zoals in het volgende fragment: ‘Dus wie denk je, naar welke voorouder moet Augustinus luisteren: naar Hanniba’al of naar Jarbas? Eigenlijk is het nog veel ingewikkelder. Mensen hebben altijd meer dan één voorouder. Je hebt immers twee ouders, toch? Die hebben allebei ook weer twee ouders, dus …’ Daarbij ontkracht hij elk superioriteits- of exclusiviteitsdenken.
Natuurlijk kan het: samenleven met ‘anderen’. Als we maar lessen trekken uit de geschiedenis en de fundamenteel menselijke wijsheden toepassen. Om die kernboodschap alleen al zou iedereen, jong en oud, dit en de andere boeken van Harari moeten lezen.
Jan Van Coillie