Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken

Onze recensie

Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken? is letterlijk en figuurlijk een levenswerk. Met woorden en vooral beelden geeft Ted Van Lieshout een inkijk in zijn leven als dubbelkunstenaar, met als rode draad de evolutie die hij doormaakte. Het is een monumentaal boek, bijna 400 pagina’s dik, rijkelijk geïllustreerd en schitterend vormgegeven. Maar vooral een boek waarin je eindeloos kunt verdwalen én op ontdekking gaan.

Zoals zo vaak vond Van Lieshout een bijzondere vorm voor zijn verhaal. Hij stelt het voor als een reactie op een uitnodiging die hij kreeg van ‘het Illustratiehuis Amsterdam’ om naar aanleiding van zijn dubbele jubileum (hij wordt 70 en is 40 jaar schrijver) een overzichtstentoonstelling te houden van zijn beeldend werk, verlevendigd met gedichten. De uitnodiging zorgt voor een tweestrijd in zijn hoofd, die hij doortrekt in het hele boek als een dialoog tussen de oudere en de jongere (17-jarige) Ted. Met die dialoogvorm heeft hij overigens al ervaring in ander werk en dat merk je: de gesprekken klinken bijzonder levendig en levensecht, mede door de bijzondere humor in de meningsverschillen tussen beiden. Wanneer de oudere Ted bijvoorbeeld stelt dat hij heel tevreden is met de vormgeving van zijn boek Rozen voor de zwijnen, reageert zijn jongere zelf: ‘Fijn dat je zo ingenomen bent met jezelf.’

De dialogen worden als het ware ingebed in twee brieven aan Jelle, die enkele van de meest persoonlijke fragmenten bevatten. In de eerste brief aan Jelle gaat Van Lieshout dieper in op zijn afkomst en het gezin waarin hij opgroeide. Je komt er onder meer te weten hoe een versje dat zijn moeder zong door het rijm, de cadans en de merkwaardige tegenstelling, ertoe bijdroeg dat hij dichter werd: ‘daar komt je lieve moeder aan/ die komt je op je billen slaan.’ Verder in het boek kadert hij geregeld de gedichten die hij opneemt binnen de context van zijn leven, waardoor ze extra betekenis krijgen voor de lezer.

Het hoofdstuk over de middelbare school en de kunstacademie (1968-1975) focust op hoe hij in zijn tekenwerk ‘buiten zijn grenzen’ wou treden, waarbij hij experimenteerde met allerlei stijlen en technieken. Het gaat vooral over zijn moeizame proces van ‘ontpoppen’, moeizaam omdat hij voortdurend uit was op waardering van anderen (vooral van zijn docenten). Op persoonlijk vlak werd hij erg geraakt door de dood van zijn oudere broer Harry, een gebeurtenis die (samen met de dood van zijn vader) zijn leven ingrijpend tekende, waardoor die ook belangrijke thema’s werden in zijn werk.

‘De eerste jaren (1980-1986)’ gaat in op zijn illustratiewerk voor verschillende uitgeverijen en kranten, met ook hier als rode draad het gebrek aan durf om een eigen stijl te ontwikkelen, waarbij hij geleidelijk aan ging versoberen en schetsen. Onder invloed van de jeugdpoëzie in De Blauw Geruite Kiel publiceerde hij ook een eerste gedicht: ‘Dat je van verdriet iets moois kon maken, vond ik zo toverachtig.’ (p. 101). In de periode (1986-2000) publiceerde hij zijn eerste verhalen en dichtbundels. Hij gaat in op de aanleiding voor elk boek en op de gebruikte tekentechnieken. Ook in dit hoofdstuk lees je heel wat memorabele zinnen, die Van Lieshout en zijn werk typeren: ‘Ik vind eigenlijk dat mijn beste illustraties een soort gedichten zijn. Niet van zuinige woorden, maar van zuinige lijnen. Ik wil zoveel mogelijk proberen te zeggen met zo weinig mogelijk lijnen.’ (p. 180) Of ‘Ik  heb altijd de verantwoordelijkheid gevoeld dat je omarmend moet schrijven als je voor jonge mensen schrijft.’ (p. 188, wat dat ‘omarmend’ inhoudt , vind je op p. 188). Of nog: ‘Als ik één ding geleerd heb als schrijver, dan is het dat je gebruik moet maken van dingen die je zelf hebt meegemaakt’ (p. 194). Interessant in deze en de volgende periode zijn ook Van Lieshouts bespiegelingen over zijn boeken over kunst(geschiedenis), wat hij zelf ‘mijn favoriete onderwerp’ noemt (p. 294). Het principe dat aan de grondslag ervan ligt, typeert hij kernachtig als ‘vergelijken is beter kijken’. De essentie van kunst ‘verdicht’ hij door in de volgende zin te schrappen tot de essentie. ‘Kunst is alles wat je doet om niet dood te gaan van verveling’ wordt dan ‘Kunst is alles.’

Zijn beeldend werk moest voor de tentoonstelling begeleid worden door gedichten. Het viel mij bij de lectuur daarvan op hoeveel regels zich uit die verzen in mijn geheugen geprent hadden. Ik citeer er enkele: ‘Ons huis wil niet meer met ons praten. De muren kaatsen woorden terug.’; ‘Aan de randjes ging hij langzaam dood’; ‘Maar in mij woedt een storm/ ik bots in onweer op elkaar,/ al toont zich niets op mijn gezicht/ want huid trekt rond het razen dicht.’; ‘Je slaapt zo dicht bij de dood.’; ‘Jij bent mijn mooiste landschap.’; ‘Wij zijn bijzonder, misschien zijn wij een wonder.’; ‘Is dat verliefd?/ Zien aan een ander/ hoe mooi je bent?’

In ‘De boeken (2000-2026) laat de kunstenaar zien hoe hij meer en meer zijn eigen ‘stem’ vindt in woord en beeld. De cover van Driedelig paard (2011) vindt hij zelf zijn mooiste. In die bundel experimenteert hij met een nieuwe dichtvorm: blokgedichten. Hij neemt er ook beeldsonnetten op (die hij ook al in een eerdere bundel opnam en zal bundelen in Rond vierkant vierkant rond (2016)). In die periode publiceert hij ook verhalen en gedichten over de relatie die hij als kind had met een oudere man. Het is een complex verhaal van voortschrijdend inzicht.

Volgende stappen in zijn werk zet hij met Onder mijn matras een erwt (2012), met gedichten bij poppenhoofden die hij in zijn jeugd maakte en Ommouw me (2023), met gedichten bij kledingstukken. Daarbij is mij onder meer de volgende uitspraak bijgebleven: ‘Het kan nog zo terecht van mij zijn om te vinden dat ook lelijke, oude koppen mooi zijn, maar als je anderen daar niet in mee krijgt, krijg je geen gelijk.’

Na enkele boeken waarin hij zijn illustraties niet langer in dienst van de teksten stelde, ging hij met Ze gaan er met je neus vandoor (2010) nog een stap verder, vanuit de vraag of je in een boek de vormgeving zou kunnen betrekken bij het verhaal. Dat deed hij door van de letters personages te maken. Zo blijft Van Lieshout zoeken en experimenteren om zichzelf te vernieuwen. Zelf verwoordt hij de kern van dit streven als volgt: ‘Door niet bang te zijn om persoonlijk te zijn, maak je het gewone bijzonder en het bijzondere gewoon.’ (p. 315)

De titel van het volgende hoofdstuk is veelzeggend in zijn eenvoud: ‘Mooi, maar’. Zowel zijn zelfbewustzijn als kunstenaar als (zelf)relativering kleuren de gesprekken tussen de oudere en jongere Ted. De 70-jarige geeft er levenslessen mee: over ouder worden, het belang van relativeren, evolueren, denken over je eigen beperkingen, je open stellen voor het andere en je eigen sterktes ontdekken. En ten slotte over hoe kunstenaars je met een frisse blik laten kijken naar het gewone en alledaagse. Centrale motieven uit Van Lieshouts werk passeren de revue, zoals de hunkering naar een thuis en je thuis voelen, naar veiligheid en het verlangen om mooi en waardevol gevonden te worden.

De tweede brief aan Jelle gaat daar nog dieper op in, op zijn zoeken naar bevestiging, naar het echte geluk en de ware liefde én op de twijfels, het verdriet en de pijn die daarbij horen. Tegelijk heeft hij het over bijzondere mensen die zijn kunstenaarschap mee gekleurd hebben. Personen als Toin Duijx, Jacques Dohmen, Aidan Chambers, Sieb Posthuma en Philip Hopman. Met deze laatste maakte hij de bijzonder succesrijke reeks rond Boer Boris.

Ook het slothoofdstuk heeft een veelzeggende titel: ‘Verzoening’. Ook bij die verzoening (met zichzelf, met het leven) staat de vraag naar wat geluk is centraal: ‘Geluk zit niet in wat een ander voor je kan doen, maar in wat je zelf kunt doen om tegenslag te verwerken’ en ‘dat je de regisseur bent van je eigen geluk’ (p. 362). In de slotzin richt Van Lieshout zich nog een laatste les keer tot zijn jongere ik, waarbij hij de essentie van zijn zoektocht zonder einde samenbalt: ‘Nu heb je de kans om het anders te doen. Begin, Ted. Begin opnieuw, als je wilt, maar begin.’

Begin, lezer, bij het begin van dit magistrale boek. En begin telkens opnieuw. Zelden krijg je de kans om zo meegesleept te worden in de ontwikkeling van een kunstenaar.

Jan Van Coillie

Nieuw

Thema's

Leeftijd

Auteur