Vanochtend was de stad opeens in rep en roer.
De barbaren komen, zeggen ze.
Wie komen?
De verschrikkelijke Barbaren.
De Romeinen deden het al: de anderen, wie niet tot het ‘eigen volk’ behoort, afschilderen als ‘barbaren’. En omdat ‘onbekend onbemind’ is, worden ze in dit verhaal ook meteen getypeerd als ‘verschrikkelijk’, waarmee de geruchtenmolen begint te draaien. Op de prent zie je een mannetje met een grote, rode megafoon op de muren rond een stad. Hij ziet er niet al te snugger uit (misschien door de veel te grote hoed of helm op zijn hoofd), maar ook dat is natuurlijk een subjectieve indruk.
Op de volgende prent zijn ze al met drie en ze fluisteren iets door (zelfs de hond lijkt mee te fluisteren), dan weet je al dat het ‘nieuws’ vertekend wordt. Pagina na pagina volgt een nieuwe veronderstelling over wanneer de barbaren komen, van waar en hoe ze zijn. De angst en onzekerheid wordt versterkt door de illustraties, bijvoorbeeld op de prent waar een klein mannetje met een minuscuul zwaardje heel alleen tegenover een enorm, dreigend bos staat.
Tegen de lunch halen de mannetjes kanonnen boven (die moeten nodig afgestoft worden, want ze ‘hebben al eeuwen niet meer gevochten’). Maar om twaalf uur zijn er nog altijd geen barbaren te zien en de mannetjes besluiten vlaggen te hijsen, hun laarzen te poetsen, uniformen te strijken en medailles op te spelden. Tegen halfacht beginnen ze er een beetje genoeg van te krijgen: ‘De Barbaren zijn niet zoals wij. En dat is lastig. Ze kunnen nooit eens een keertje op tijd komen […] Echt, op dat vreemde volkje kan je niet rekenen.’ De absurditeit van deze redenering ondergraaft doeltreffend de hele retoriek van het oorlogszuchtig volkje. Die absurditeit wordt nog versterkt door de redenen die ze bedenken waarom de Barbaren niet komen opdagen. Na drie dagen duikt de twijfel op over het bestaan van de Barbaren en beginnen ze zich af te vragen hoe ze dan ‘in vredesnaam de tijd [moeten] doden’? Knap die woordspeling met vrede en doden. Hoe dat kan, kan je zelf ontdekken op de grote slotprent, die woorden overbodig maakt.
Ik stelde het al vaker: kinderboeken zijn een seismograaf van de tijd. Volwassen kunstenaars maken er op een voor jong en oud begrijpelijke manier duidelijk wat er in de maatschappij leeft. In de sterkste boeken slagen auteurs/illustratoren erin op een eenvoudige, heldere en indringende manier een wezenlijke boodschap mee te geven, zonder die ook maar ergens op te dringen. Het is aan de lezers, luisteraars, kijkers en voorlezers om samen conclusies te trekken en na te denken over wat wezenlijk is.
In deze tijd van oorlogsretoriek en fake news dat mensen misleidt en polariseert is dit een ‘noodzakelijk’ boek. Een ‘kinderboek’ zonder leeftijd dat op een even eenvoudige als ingenieuze manier de menselijke verdwazing, verblinding en kortzichtigheid blootlegt en tegelijk een waarschuwing en een hoopvolle levensles meegeeft.
Jan Van Coillie