Tweevoudig Gouden Griffelwinnaar Simon van der Geest kreeg dit jaar de eer om het gedicht voor de Nederlandse Kinderboekenweek met als thema ‘avontuur’, te schrijven. Hij gaf het de titel ‘Verdwalen’. Dat avontuurlijke verdwalen speelt ook een belangrijke rol in zijn dichtbundel Plassen op schrikdraad.
Dat avontuur en de bijzondere ervaring van het ontdekken, staan meteen centraal in het openingsgedicht met de fascinerende titel Qwxzjbrrr. Het opent met de regels: ‘Vandaag nam ik een andere route/ Ik had zin om eens goed te verdwalen’. Het kind wordt in een raket gezet en niet veel later gooit hij sneeuwballen met de Qwxzjbrrrianen. Terug thuis wordt hij geconfronteerd met een bleke, uitgebluste papa, aan wie hij de vraag stelt die aan veel volwassenen gesteld zou mogen worden: ‘Zeg pap, verdwaal jij wel genoeg?’ Een dergelijke slotregel geeft een draai aan het gedicht die de lezer aan het denken zet.
In ruim de helft van de twintig gedichten is het avontuur een belangrijk motief. ‘Echte ontdekkers’ bijvoorbeeld gaat over de aantrekkingskracht van het ontdekken van onbekend gebieden en in ‘Mijn vel’ nodigt de ik de lezer uit om goed te kijken naar de tattoos die avonturen op zijn vel achterlieten:
Mijn hele vel
is het verslag
van een woeste zomerdag
Kijk maar eens goed:
Avontuur is me op het lijf geschreven
Vaak gaat het zoeken naar avontuur gepaard met gevoelens zoals lef, durf, aarzelen en twijfelen. In ‘Leeuwenmoed’ verwoordt de dichter kernachtig en tegelijk speels wat de ik ervaart als hij met zijn zus aanbelt bij een boze buurman, bij wie hij een ruit brak. In ‘Ik ga naar Mars’ mengt hij heel herkenbaar het verlangen om even weg van huis te gaan met de twijfels over het afscheid nemen en het gemis. In ‘Achterblijven’ wordt de ik uitgedaagd door zijn vriend en kleine broertje om een sloot over te steken over een gevallen boomstam: ‘Mijn kleine boertje hè, dus toen/ kon ik moeilijk/ moeilijk gaan doen.’
De uitdaging van het avontuur verbindt Simon van der Geest ook vaak aan (het oversteken van) de dunne grens tussen fantasie en realiteit. Op een keer ziet de ik een zeemeermin in zee: ‘Jij denkt: yeah, right… moet ik dat geloven?/ Geloof wat je wil/ Waar of niet waar?/ Dat is iets tussen mij/ en haar.’ (‘Ik heb een zeemeermin gezien’).
Simon van der Geest schrijft ‘parlando-poëzie’, een dichtvorm die alledaagse spreektaal nabootst door middel van een losse, natuurlijke praattoon en een anekdotische vertelstijl. Hij schikt zijn zinnen in versregels, zonder rijmschema of metrum, maar af en toe wel rijm als bindmiddel. Die vorm maakt de teksten vlot leesbaar en herkenbaar (ook door het sporadisch gebruik van jongerentaal) maar houdt ook risico’s in. Soms is de grens met een verhalende tekst zonder poëtische meerwaarde wel erg dun. Anderzijds spreekt de bundel aan door de originele onderwerpen en de verrassende manier waarop ‘gewone’ onderwerpen benaderd worden. Die originaliteit blijkt al uit titels als ‘Plassen op schrikdraad’ of ‘Vandaag heb ik een schaap geschoren’. Bij momenten sprankelen fragmenten ook door compacte taal, klankherhaling en woordspel, zoals in ‘Eentje nog’, een origineel gedicht over de impact van gsm’s. Het begint met ‘Tim heeft een telefoon gekregen. Ik heb er nog geen een/ Opeens betekent buitenspelen bankjezitten’ en eindigt met: ‘Over een jaartje/ heb ik er ook een/ dan zombie ik met hem mee’. De sterkste gedichten boeien echter vooral omdat er zoveel gevoelens onder de regels zinderen, zonder dat ze geëxpliciteerd worden. Vooral in dat suggereren van onuitgesproken gevoelens onder en tussen de regels steekt de grootste kracht van deze dichter.
Van der Geest werkte eerder al samen met illustratrice Karst-Janneke Bogaar. Je voelt dat ze elkaar goed aanvoelen. Bogaar slaagt er goed in om in haar composities het avontuurlijke in de verf te zetten, bijvoorbeeld in de prent bij ‘Reizende tak’, waarop een kind vanop een tak in de verte tuurt. Maar even goed weet ze gevoelens van aarzelen, twijfelen of uitdagen weer te geven, zoals in de houding en de gezichten van de twee kinderen op de springplank bij ‘De hoge’.
Jan Van Coillie