Ida en Oskar wonen samen met hun ouders in een rood huis op de heuvel. Ze zijn een doodgewoon gezin, waarin doodnormale dingen gebeuren. Zus en broer slapen samen in één kamer in een stapelbed. Ze spelen bij de rivier, ravotten in het bos en delen vreugde en verdrietjes.
Het hele boek wordt verteld vanuit de ik-figuur. Ida is aan het woord en beschrijft haar wedervaren met haar broertje en ouders. Hierdoor beleeft de lezer alles mee uit de eerste hand. Het gezin waarin de kinderen opgroeien is een gewoon warm en gezellig gezin. Er gebeuren doodnormale dingen. De gezinsleden leven in harmonie met elkaar, wat niet wil zeggen dat er nooit gekibbeld wordt of dat er nooit ruzie is. Maar alle ruzietjes worden snel terug bijgelegd. De zware ziekte van oom Oyvind en zijn overlijden zetten een domper op dit huiselijk geluk. Maar ook hier wordt heel gewoon en liefdevol mee omgegaan. Na de dood van oom, wordt zijn partner Bulle uitgenodigd op het Kerstfeest en het wordt de leukste kerstavond die ze ooit hadden.
Ida komt soms erg filosofisch uit de hoek. Wanneer oom Bulle hen bedankt voor het fijne kerstfeest waar hij zo tegen op had gezien, vraagt Oskar zich af waarom oom Bulle dit zegt. Ida legt hem uit dat het zijn eerste kerstmis was zonder zijn partner Oyvind. Oskar begrijpt niet waarom dat een probleem is. Oom is toch elke dag even dood? Wanneer ze later in het donker in haar bed ligt, overdenkt Ida dit probleem: “Ligt het soms aan kerst, wordt alles dan dubbel zo sterk? Zowel wat fijn is, als wat er verdrietig is? ‘En Ida bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze’, dacht ik, en ik deed mijn ogen dicht.” (p.155)
Het boek is onderverdeeld in korte hoofdstukken, die elk een titel en ondertitel meekregen. Samen met de sprekende kleurenillustraties maakt dit het boek aangenaam voor onervaren lezers. Het maakt dit boek meteen ook uiterst geschikt om voor te lezen.
Dit eenvoudige boek over doodgewone kinderen zal zeker menig jonge lezer of toehoorder bekoren.
Lut Vanderaspoilden