Wie verliefd werd op Lampje (en dat waren er vele duizenden), zal allicht ook weg zijn van Krekel. Vanaf de eerste tot de laatste zinnen word je ondergedompeld in eenzelfde sprookjesachtige sfeer en omgeving en steeds dieper ook in gevoelens en verlangens die zowel intens als universeel zijn. Net als in Lampje neemt de zee een centrale plaats in en enkele personages uit Lampje duiken ook hier op: de innemende meneer Rozenhout van het kruidenwinkeltje, met zijn harteloze echtgenote, de mysterieuze tuinman Nick, die hier nog meer de rol krijgt van de typische helper uit sprookjes en de strenge schooljuffrouw Amalia.
Inspiratie vond Annet Schaap dit keer in Andersens sprookje ‘De wilde zwanen’, bij wie ze onder meer de naam van haar hoofdpersoon Eliza leende, de betovering van de broers door de boze stiefmoeder in zwanen en de jas van brandnetels die Eliza maakt. Wellicht vond ze ook inspiratie bij Grimms ‘De zes zwanen’, waarin het net als bij Schaap over zes broers gaat en niet over elf zoals in Andersens versie. Een van die zes broers heeft maar één arm en een vleugel op zijn rug, net als Krekel in Schaaps boek.
Maar natuurlijk schrijft Annet Schaap haar eigen verhaal, dat veel uitgebreider is dan de klassieke sprookjes en dat ze verrijkt met boeiende personages en diepe emoties die jong en oud kunnen herkennen.
Een van de zes broers geeft in haar verhaal zijn naam aan het boek, een vreemde naam, die meteen nieuwsgierig maakt. Krekel wordt vanaf het begin opgevoerd als een buitenbeentje. Zijn vader en broers houden hem verantwoordelijk voor de dood van hun vrouw en moeder en negeren of verstoten hem. Alleen Eliza zorgt voor hem en neemt het altijd voor hem op. Krekel is niet alleen een buitenbeentje, maar ook een kneusje: hij is vreselijk onhandig, stottert en is een echte huilebalk. Toch is hij niet zomaar een aanhangseltje bij Eliza. Tijdens het verhaal groeit hij, neemt hij meer verantwoordelijkheid op en zorgt hij uiteindelijk mee voor de positieve ontknoping. Daarmee is hij een typisch Schaap-personage: herkenbaar en inleefbaar in zijn onvolmaaktheid, groots en verrassend als het er echt op aan komt.
De hoofdrol in het verhaal is echter weggelegd voor Eliza, een meisje dat zich kleedt en gedraagt als een jongen en daardoor de vooroordelen over jongens en meisjes in vraag stelt, ook een geliefd thema bij de auteur. Vanaf de eerste bladzijde zie je hem/haar voor je. ‘Met een te grote jas aan, en veel te grote schoenen. […] ‘Rechtdoor, Eliza,’ zegt hij zachtjes tegen zichzelf.’ Niet alleen Eliza, ook het stadje waar ze doorheen loopt, zie je voor je, met ‘de hobbelige steegjes’ en de ‘rij schamele winkeltjes langs de kade.’ Dat bijzondere vermogen om de ruimte vorm te geven blijkt ook verder wanneer de auteur het winkeltje van de tatoeëerder beschrijft. Je zit meteen mee binnen met Eliza. De tatoeëerder typeert Eliza ook meteen scherp met ‘Dag meisje dat geen au zegt’. Tijdens het tatoeëren geeft ze geen kik. Verder in het verhaal spreekt de schipper Berg over haar als ‘dat jongensmeisje’. Op het einde luidt het: ‘En Eliza is de baas. Tegenwoordig.’ Daarmee veegt ze allerlei uitspraken van mannen in het boek over het ‘zwakke geslacht’ van tafel, ook van haar grote broers die ze redt, al domineren ze vaak haar gedachten met denigrerende uitspraken als ‘Ga breien, zeurzusje’.
Het zorgeloze leven van Eliza wordt overhoopgehaald wanneer haar moeder sterft en haar rijke, maar zwakke vader hopeloos verliefd wordt op (of betoverd door?) een nieuwe vrouw, Duifje, die hij leert kennen in een mysterieuze tent op een kermis. Zowel Eliza’s vader als haar stiefmoeder worden in het verhaal behoorlijk stereotiep neergezet als de zwakke man, verblind door de liefde en de boze heks van een stiefmoeder die enkel uit is op geld en rijkdom en daartoe tot alles in staat is. Natuurlijk sluiten die typeringen aan bij de vlakke personages uit sprookjes, maar in dit breed uitgewerkte verhaal hadden ze voor mij toch meer complexiteit mogen krijgen. Al doet de auteur daar wel pogingen toe, zo gaat ze in op de vreselijke kindertijd van Duifje, met een dronken, verspilzieke vader die haar geregeld slaat (‘want een meisje sla je zo gemakkelijk, ach, een meisje doet toch nooit wat terug’), waardoor ze zich ontwikkelt tot iemand ‘die wél terug kan slaan’. Om terug te slaan, ontwikkelt ze een bijzondere gave, een blik waarmee ze iemand in een vogel kan veranderen. De woorden waarmee Annet Schaap die blik typeert, illustreert haar haarscherpe, beeld- en klankrijke stijl: ‘met vuur en ijs in haar ogen, met bliksemhitte en gletsjerkou, samengebald als onder een vergrootglas.’ Ook Eliza’s vader wordt af en toe geplaagd door twijfels, maar die duwt hij steeds weer meteen weg.
Niet lang na Duifjes komst in haar leven, verdwijnen haar oudere broers, volgens Duifje zijn ze verdronken op zee, maar daar gelooft Eliza niets van. Wanneer Eliza beseft dat Duifje haar vader meer en meer in haar macht krijgt en ze telkens weer een onprettige schok krijgt onder haar blik, besluit het eigenzinnige meisje met Krekel op zoek te gaan naar haar broers, geholpen door de mysterieuze boodschap van de tuinman Nick die verwijst naar de Witte Kliffen. Ze probeert aan te monsteren op de gammele schuit van de nukkige schipper Berg, maar haar eerste pogingen mislukken en ze belanden bij juffrouw Amalia en via een hebberige sheriff terug bij haar vader en Duifje. Maar ze blijft niet bij de pakken zitten en uiteindelijk kunnen ze toch de tocht over zee aanvatten, in het gezelschap van schipper Berg, juffrouw Amalia en de sheriff, die intussen in een kip betoverd is. Al deze kleurrijke personages komen dankzij Schaaps visuele stijl echt tot leven.
De nukkige maar warmhartige schipper Berg krijgt kleur door het eigen taaltje dat hij spreekt: ‘Zijn jullie nu helemaal door de ratten besnuffeld.’ Juffrouw Amalia wordt neergezet als de overbezorgde schooljuffrouw die altijd wil opvoeden, maar tegelijk als een onzeker iemand die zich laat leiden door de stem van Jezus die ze blindelings lijkt te vertrouwen, maar waar ze uiteindelijk toch vragen bij blijkt te stellen. Knap is ook hoe de auteur zonder dat expliciet te maken, laat voelen dat er iets bloeit tussen haar en Berg.
Niet alleen de haarscherpe, vaak kleurrijke typeringen van de personages en de ruimte, maar ook de rake, originele formuleringen die een nieuw licht werpen op vertrouwde dingen, doen je geboeid verder lezen. Soms word je geraakt door een verrassende vergelijking, bijvoorbeeld wanneer Eliza zich afvraagt waarom haar mama niet komt: ‘Ze dacht het heel even, maar liet de gedachte meteen weer los. Die viel op de grond als een knikker en rolde gauw weer weg in een hoekje’. De verandering die Eliza overvalt wanneer haar broers verdwijnen, verwoordt Schaap met neologismen: ‘Soms gebeurt er iets ergs waar geen naam voor is. Een kind zonder ouders wordt een wees, een gestorven echtgenoot maakt een weduwe of een weduwnaar. Maar wie zijn kinderen verliest, of haar broers, heet niet opeens anders: geen leegvader, weesmoeder, on-zusje.’ Met zijn schipperswijsheid doet Berg nadenken over hier en daar. Op Amalia’s vraag wat hij doet op zee, antwoordt hij: ‘Gewoon. Varen. Van hiernaar daar. […] Ik ben liever daar dan hier. […] Iedereen is dat toch? Liever daar? U toch ook? […] Want wat is nou hier? Hier is maar lastig, plakkerig. […] Daar ken nog van alles zijn.’ Maar even later stelt hij ook dat in vraag. Op Amalia’s volgende vraag waarom hij dan niet daar blijft, repliceert hij: ‘Dat snapt toch een kind, dame. Zodra je daar bent, wordt daar hier. En hier wordt weer daar.’ En lees hoe Annet Schaap de Witte Kliffen typeert, een ruimte die de magie ademt die elk sprookje kenmerkt: ‘Hier, bij de Witte Kliffen, is de lucht ruimer. Hier blaast de wind de hoofden leeg, blaast de gedachten weg over wat er allemaal niet kan, wat er wel en niet bestaat, hoe het moet en hoe het hoort. Hier kan zomaar van alles gebeuren.’
Ondanks de sterke compositie, de levendige personages en de sprankelende taal raakte ik soms toch even uit de ban van het verhaal. Natuurlijk is elke leeservaring anders en ongetwijfeld zullen veel lezers van begin tot einde ondergedompeld blijven in dit betoverende sprookje, voor mij zou het geheel aan kracht gewonnen hebben, mochten sommige passages compacter geweest zijn.
Dit neemt niet weg dat Krekel net als Lampje een meesterwerk is. Annet Schaap slaagt er opnieuw in je op sleeptouw te nemen in een sprookjesachtig avontuur met de diepgang van een eindeloze zee, de kracht van een nietsontziende storm en de warmte van donzen vleugels. Een onweerstaanbaar avontuur dat glashelder laat aanvoelen hoe belangrijk het is zowel voor anderen als voor jezelf op te komen en te geloven in je eigen kracht.
Jan Van Coillie