Na deze zomer gaat Ferris Wilkey naar groep 8 (= het zesde leerjaar). Maar de zomer verloopt chaotisch. Pinky, haar zusje van zes, heeft gezworen een boef te worden, tot wanhoop van haar moeder. Oom Ted heeft tante Shirley verlaten. Hij verschanst zich in de kelder van het huis. Hij wil er de wereldgeschiedenis schilderen. Mama ergert zich aan deze extra gast. Oma Charisse ziet een geest bij de drempel van haar kamer. Oma heeft ook ernstige hartklachten, dus lijkt dit een alarmerend voorteken. Maar de geest is er niet om Charisse naar het hiernamaals te begeleiden. Ze geeft oma een vreemde opdracht…
Dit is een verhaal dat rustig verder kabbelt zonder echt thema. Een verteller verhaalt de zomer van een tienjarig meisje met een wat vreemde familie. Het jongere zusje heeft ongewone ambities, oma ziet een geest, oom en tante hebben huwelijksproblemen en betrekken haar gezin hierbij. Ferris is een lief en gevoelig meisje en wil eigenlijk iedereen helpen. Ze vindt daarbij echter wel wat hobbels op haar weg. Terwijl ze een poging doet om tante en oom te helpen, verknoeit tante haar kapsel. Wanneer zusje Pinky een verpleegster in de hand bijt en wegloopt, moet Ferris naar haar op zoek. Met de hulp van haar beste vriend, pianist Billy Jackson slaagt ze er wel in oma’s opdracht te vervullen en de familie op een wonderlijke manier samen te brengen. Het lijkt een boek vol ietwat vreemde diverse voorvallen, maar op één of andere manier houdt het verhaal wel je aandacht vast en leef je mee met de personages.
De auteur schrijft meeslepend en beeldend en smokkelt op een leuke manier moeilijke woorden (samen met hun betekenis) in de tekst. Ferris en Billy Jackson hadden vorig schooljaar immers een onderwijzeres die hen de liefde voor woorden had meegegeven. Haar leuze was: “Het woordenboek is de sleutel tot het koninkrijk! Het hele leven draait om het juiste woord op het juiste moment.“ De kinderen leerden dus heel wat woorden bij deze vrouw en ze gebruiken hun kennis dan ook uitgebreid doorheen het boek. Zo leren we de betekenis van ‘ridicuul, monomaan, abject, cesuur, macaber, Achilleshiel, iteratie, …’ Omdat de woorden zo goed door het verhaal heen zijn verweven, komen ze heel natuurlijk over en gaat het niet vervelen.
Het verhaal bestaat uit 32 korte hoofdstukjes en is daardoor ook behapbaar voor jonge lezers.
Ferris is een ietwat vreemd en bevreemdend, maar erg charmant verhaal.
Lut Vanderaspoilden