Elvis is een varken, maar niet zomaar een varken: hij heeft twee kleine vleugeltje en een grote droom: hij wil tot in de wolken vliegen. Voorlopig kan hij niet hoger fladderen en wippen dan de kippen bij wie hij woont. Maar hij geeft zijn droom niet op en bedenkt een plan: met doek, touw en stokken knutselt hij vleugels in elkaar. Als je het boek een kwartslag draait, zie je hem opstijgen en op de finale prent zweeft hij glimlachend door de lucht, geholpen door een bonte werveling van ballonnen. Julie van Geel weet dat gelukzalige moment knap in beelden te vangen, met links het met de ogen dicht genietende varken onder zijn groene vleugels en groene en paarse ballonnen en rechts de oranje hemel met een zon als een reusachtige eierdooier en de kippen vol bewondering op het veld onder hem.
De boodschap dat alles kan wanneer je maar genoeg in je dromen gelooft, is zeker niet nieuw in kinderboeken, maar Luc Descamps brengt die wel op een originele manier. Waar de bonte illustraties extra kleur aan het verhaal toevoegen, zorgt de berijmde tekst voor klankkleur. Alleen had Descamps hier strenger voor zichzelf moeten zijn. Meerdere regels gaan gebukt onder rijmdwang: ‘Ook op een ei kan hij niet letten/ Dat zou hij met zijn billen pletten’; ‘Het is nu nacht en volle maan/ Net als een wolf gaat Elvis staan/ De kop omhoog, rug in een kuil/ zo knort hij luid, net als gehuil’ of nog ‘Eén voorpoot los, ook nummer twee/ En die vanachter, die gaan ook mee.’ Om zijn verhaal echt vleugels te geven, had Descamps deze loodzware rijmen moeten vervangen door lichtvoetige rijmvondsten.
Jan Van Coillie