Sofie en mama zitten samen aan de keukentafel. Plots gaat de deurbel. Op de deurmat staat een grote, pluizige gestreepte tijger! Hij heeft erge honger en smikkelt alles wat eetbaar is naar binnen. Ook het avondeten moet eraan geloven. Wat nu? Straks komt papa thuis en is er niets te eten.
Dit prentenboek wordt op de achterflap aangeprezen als ‘een moderne klassieker’. Het is een vertaling van een Engelse bestseller uit 1968 en dat merk je. De taal voelt wat oubollig aan. Het boek begint met de woorden: “Er was eens een meisje dat Sofie heette. Ze was net met haar moeder thee aan het drinken aan de keukentafel toen plotseling de deurbel ging.” Voor mij mocht dit iets vlotter en korter. De ouders worden benoemd als ‘vader’ en ‘moeder’ en niet als mama en papa. Het hele verhaal wordt door een verteller voorgedragen. Die verhalende stijl vertraagt het geheel. Gelukkig bevat het boek ook dialogen die zich vlotter laten voorlezen.
De illustraties zijn vrij statisch en de kleren die de menselijke personages dragen, zijn vrij stereotiep voor de jaren 60. Geen enkele vader gaat bijvoorbeeld nu nog werken met een ruitjespak, das en deukhoed. En waar in Vlaanderen komt nog de melkman en de boodschappenjongen aan huis? Kleuters herkennen zich niet echt in deze personages, maar een probleem hoeft dat niet te zijn. Het verhaal blijft leuk. De tijger smijt het keurige, huiselijke leventje van Sofie overhoop. Je voelt meteen sympathie voor dit baldadige dier en het verhaal loopt goed af voor alle partijen.
Dit is een nostalgisch, wat ouderwets prentenboek met in de hoofdrol een sympathieke maar ondeugende tijger.
Lut Vanderaspoilden