Simon van der Geest is zonder twijfel een van de belangrijkste jeugdauteurs uit ons taalgebied. Met boeken als Dissus (Gouden Griffel 2011), Spinder (Gouden Griffel 2013, Jan Wolkersprijs 2013) en Het werkstuk (Zilveren Griffel 2020) zette hij zijn naam definitief op de jeugdliteratuurkaart. Spinder en Spijkerzwijgen kregen bovendien een 1e prijs van de Kinder- en jeugdjury Vlaanderen. Met Hart van Staal waagde hij zich aan het sciencefiction genre. De sleutelrobot is het vervolg.
Zoals alle sciencefiction starten de twee boeken vanuit een prangende vraag over de toekomst van de mensheid. Van der Geest kiest een vraag die zowel voor jonge als volwassen lezers interessant is: wat als ouders vervangen worden door robots die perfect op de echte ouders lijken? Het is een van de spookbeelden van doorgedreven artificiële intelligentie. En het stelt de lezers voor morele dilemma’s: kun je echt van die robotouders houden? En wat betekent houden van voor die robots? En kan een robot zich zo ontwikkelen dat die echte, menselijke emoties voelt? Al in Hart van Staal werd een van de wezenlijke verschillen tussen mensen en robots duidelijk: alleen mensen blijken te kunnen opgaan in muziek. Van die passie maken de vier jonge helden gebruik om tegen de macht van de robots, geleid door een gewetenloze gouverneur, te rebelleren. Ook in dit tweede deel speelt de rebellie door de kracht van muziek een cruciale rol. De Ava’s, tweelingzusjes die de eigenlijke macht over de robots in handen blijken te hebben, willen met een ‘muzikrusjer’ de liefde voor muziek uit het mensenbrein halen, in de hoop zo het onderscheid tussen mens en robot kleiner te maken. Maar het zal uiteindelijk dankzij de muziek zijn dat de vier kinderen hun doodsbange ouders wakker schudden.
Door een list komen Zina, Ravi, Blink en Mink te weten dat hun echte ouders gevangengehouden worden in een moeras op het Skimmereiland. Op hun gevaarlijke tocht naar dat eiland krijgen ze het gezelschap van Isham, die voor extra vuurwerk in het verhaal zorgt. Met zijn gebroken been vertraagt hij de tocht, wat spannende momenten oplevert, maar tegelijk bezorgt hij Zina kriebels in haar maag door zijn humor en lef. Dat zorgt dan weer voor spanningen met de verliefde Ravi. In de typering van die relaties is Van der Geest op zijn best (al blijven Blink en Mink meer op de achtergrond). Zo weet hij de explosieve mix van jaloezie en woede bij Ravi scherp te verwoorden. Het sterkst uit de verf komt Zina. Je voelt haar angst wanneer ze heel alleen (zonder papabot) naar de Conferentie van de robots onder leiding van de Gouverneur moet. En je ervaart hoe de gevoelens voor haar echte vader en haar papabot haar verscheuren: ‘Het is alsof Zina’s hoofd in één keer volloopt, als een vissenkom… en overstroomt. Ze drukt zich weer tegen zijn stinkende moeraspak aan, haar gedachten kolken rond en rond en ze kan alleen nog maar huilen. Ze huilt omdat ze zo blij is, ze huilt omdat ze haar pappotbot zo mist. Ze huilt omdat alles zo raar is, omdat ze zo in de war is, en omdat het gelukt is. De ouders zijn vrij.’ Behalve muziek, blijkt ook lichaamstaal sterker dan woorden als het op gevoelens aankomt: ‘Ze wil gauw nog iets zeggen, iets liefs, iets over helpen en dankjewel en over haar zoons, dat ze haar ook vast heel erg missen, maar de woorden struikelen in haar hoofd, en dan nemen haar armen het over en omhelst ze haar.’
Dat de jonge helden zo dicht op de huid van de lezers zitten, komt ook door de levendige dialogen, die (sterker dan in het eerste deel) zo goed als steeds levensecht klinken. Hierdoor sluiten ze ook natuurlijk aan bij de beschrijvende stukken, die door de afwisseling van korte en langere zinnen een soepel ritme hebben. Ook dat ritme maakt Van der Geest zijn stijl zo meeslepend.
Net als in het eerste boek weet de auteur knap de spanning hoog te houden, met goed gedoseerde achtervolgingen, onopgeloste vragen (wat moeten de robots met die kleine kindrobot?) en gevaarlijke plannen die gedoemd lijken om te mislukken. Hierbij laat Van der Geest knap het ritme versnellen of vertragen én schrijft hij zo filmisch dat je alles als het ware voor je ogen ziet gebeuren. Alleen de passage op het einde, waar de robots verslagen worden, had voor mij spannender en minder voorspelbaar gekund. De finale waarin de Gouverneur nog plotseling een van de jonge helden gijzelt en met de dood bedreigt, is een al te doorzichtig cliché uit talloze films. Het slothoofdstuk, waarin Zina’s duif Dolores het laatste ‘woord’ krijgt, is dan weer wel een vondst.
De sleutelrobot is een originele SF-roman met levensechte jonge helden die jonge lezers van nu niet alleen op sleeptouw neemt in een spannend avontuur, maar ook doet nadenken over een toekomst waarin robots steeds ‘menselijker’ worden én vooral over de kracht van muziek en diepmenselijke gevoelens.
Jan Van Coillie