Riet Wille heeft al langer een boontje voor bomen en huizen. In deze nieuwe bundel reiken ze mekaar de hand in een verzameling van een dertigtal eerder gepubliceerde en een twintigtal nieuwe gedichten.
Willes ervaring als logopediste blijkt zowel uit haar eenvoudige woordkeus als uit het spelen met woorden en klanken, die kinderen kunnen helpen bij het lezen en spreken. Haar heldere woordkeus koppelt ze aan een voor volwassenen vaak verfrissende kijk door kinderogen. Zo vat ze precies samen wat een bezoek aan opa zo bijzonder maakt: dat de deur vanzelf opengaat voor ze kan aanbellen, dat hij haar lievelingsgerecht kookt, helpt met huistaken en met haar praat ‘over gisteren, vandaag en morgen’. En hoe herkenbaar is niet de kinderlijke observatie van haar oma die na de thee ‘de klontjes en de wolk’ in haar tas propt, want dat ‘komt vast nog eens van pas’.
Het plezier in speelse taal blijkt allereerst in de rijmen, met soms verrassende rijmcombinaties zoals in ‘Als ik eindelijk/ stiekem in de woning kijk,/ dan zijn ze met z’n zesjes:/ drie Winterprinsjes/ en drie winterprinsesjes.’ (uit ‘De Winterkoning’). Of in de prachtige, kleine ode aan de kunst in de slotstrofe van ‘Museum’, waarin twee doeken de verbeelding prikkelen: ‘’s Avonds wisselt de poetsvrouw/ hun voetbal van schilderij./ Want kunst is een verrassing,/ daar denk je van alles bij.’ Geregeld maakt Wille haar gedichten nog klankrijker met klanknabootsingen, binnenrijmen of alliteraties als in ‘ze ritselden, ruisten, rapten,/ ze dartelden, dolden, dansten.’
Wille speelt niet alleen met klanken, maar ook met (de betekenis van) woorden, bijvoorbeeld in ‘Leven in groep’ over een ‘school’ vissen, waarvan één vis altijd ‘op harde banken van koraal zit’, en moet oppassen voor ‘een gladde jongen,/ een kwade tong,/ een malle griet.’ Verrassend beeldrijk zijn ook de beginregels van ‘Geel’: ‘Tien trompetnarcissen blazen/ het eerste geel in de tuin.’ Niet alleen de woordspelingen, maar ook de neologismen verrassen vaak: ‘boerenzwaluwtijd’, ‘het boterbloemde’, ‘rimpelstil’, ‘schelpjesoren’ enz. Dat doen ook veel personificaties. In ‘Toen een tak mij tikte’ wordt door de poëtische verwoording een boom een vriend: ‘Hij bleef in de tuin, ik op mijn kamer,/ onze contacten werden steeds vager./ Tot … hij tegen mijn ruit tikte, zachtjes,/ toen ik niet meteen reageerde, harder.’ Mooi is ook het beeld in ‘Vakantie’, waarin de ik slaapt in een hangmat in de vrije natuur. Het begin drukt letterlijk uit hoe een beeld je kijk op de dingen kan vernieuwen: ‘Mijn kamer heeft een nieuw beeld klaargezet:/ behang van ruisende bladeren/ plafond versierd met sterren.’ Ook hier speelt Wille met woorden: ‘terwijl ik schommel/ tussen hemel en aarde/ ontsnappen mijn dromen/ door de mazen van het net/ maar wie heeft dat krekelmuziekje aangezet?’
De meest beeldrijke kant van Riet Willes speelse omgang met de taal is te vinden in haar figuurgedichten, waarin ze door de grafische ordening van de woorden of versregels het onderwerp visualiseert. Gedichten nemen zo de vorm aan van een boom, een wei met vier koeien, een flamingo, een tentenkamp, een kopje thee met lepeltje, een narcis in een vaas of een kantelend vluchtelingenbootje op een woeste zee. Dit laatste gedicht maakt indringend duidelijk hoe Riet Wille met weinig, maar zorgvuldig gekozen en geschikte woorden een krachtig beeld kan oproepen. In de bundel zijn de regels schuin gedrukt.
Vluchteling
O
was
ik maar
een boot,
groot en sterk
genoeg om samen
met mijn familie de
woeste zee te trotseren
in een kajuit zonder honger of dorst
en met het roer in de richting van
een land waar de kust veilig is
Kristien Aertssen beeldt de dreigende golven gestileerd af, wat het gedicht extra kracht geeft. Meestal zijn haar kleurrijke tekeningen even lichtvoetig en speels als de gedichten, waarvan ze ook de emotionele en fantasierijke lagen treffend weet te verbeelden. Kijk maar naar de prent waarin het meisje met een zalige glimlach ‘haar’ boom omhelst bij ‘Toen een tak mij tikte’ of de al even gelukzalige lach op het gezicht van het kind in de hangmat onder een roze sterrenhemel. Mijn favoriete prent is die bij ‘Cafetaria’, met een gezellig speelse oma en kleinkind die thee en frisdrank drinken aan een tafel in de vorm van een reusachtige theekop. Precies die emotionele uitvergroting zorgt voor een beklijvend beeld.
Dag huis, ben je thuis? is een fraaie bundel om jonge kinderen de speelse, beeldende en verrassende kanten van poëzie te laten omarmen en er zich in thuis te voelen.
Jan Van Coillie