Er was eens een Alfred uit Zweden. Waanzinnige gedichten over wetenschapsinzichten

Onze recensie

Jacotte Brokken kennen we op de eerste plaats als weervrouw of als ambassadeur van wetenschap in televisie- en theatershows. Bij dat laatste hoort ook Er was een Alfred uit Zweden, een bundel gedichten voor kinderen (en volwassenen) over wetenschappers en hun uitvindingen.

Brokkens bedoeling is lovenswaardig. In een interview voor Poëziekrant (nr. 1, 2026) verwoordt ze die als volgt: ‘ik wil dingen die moeilijk te begrijpen zijn makkelijk maken, zorgen dat het blijft hangen dankzij rijm.’ De meeste gedichten (vooral limericks) gaan over wetenschappers uit het verleden, wiens uitvindingen of inzichten de wereld veranderd hebben. Beroemdheden die iedereen kent, van Pythagoras over Leonardo da Vinci en Isaac Newton tot Albert Einstein. Maar ook minder bekende onderzoekers als Joseph Fourier, Michael Faraday of Erwin Schrödinger. Positief is zeker dat Brokken ruim aandacht besteedt aan vrouwelijke wetenschappers, van Hypatia over Jane Cooke Wright en Maria S. Merian tot Jane Goodall. In een langer gedicht brengt ze zelfs een heuse ode aan al die (vaak vergeten) vrouwelijke uitvinders van de koffiefilter over de microscoop tot de vaatwasser: ‘prijs jezelf gelukkig want/ dat heeft een vrouw bedacht.’ Ook goed is de aandacht voor Al Hazen en Avicenna (al blijft die beperkt). Niet alle belangrijke wetenschappelijke inzichten komen immers uit het Westen.

De limerick heeft als dichtvorm zijn beperking, hij telt slechts vijf regels. Die beperking wordt in het boek opgelost door onder de versjes een korte, informatieve tekst over de wetenschapper te plaatsen. Ook die blijft echter heel beperkt, waardoor ik als lezer toch vaak op mijn honger bleef zitten. Een paar keer probeert Brokken dat op te vangen door nog een langer gedicht toe te voegen over de uitvindingen of inzichten van de geleerde in kwestie, zoals bij Leonardo Da Vinci. Op andere plaatsen last ze langere gedichten in waarin ze algemenere inzichten meegeeft. Zo probeert ze de ‘echte wetenschapper’ te typeren, met kenmerkende eigenschappen als nuanceren, observeren, proberen en vooral veel geduld hebben. Of ze verwoordt hoe wetenschap bijgeloof en waandenkbeelden over hekserij de wereld uit hielp. Andere langere gedichten zijn geïnspireerd door vragen van kinderen, vragen als ‘Hoe wist de uitvinder van de klok hoe laat het was?’ Of ‘Waarom zijn niet alle mensen hetzelfde?’ Dit laatste gedicht eindigt met een mooie boodschap: ‘Dus Elodie dit is het antwoord/ dat ik je gaarne reik/ we zijn niet allemaal hetzelfde/ maar wel allemaal gelijk.’

Variatie genoeg dus, een gevarieerd geheel dat niet alleen samengehouden wordt door het centrale onderwerp ‘wetenschap(pers), maar ook door de illustraties van Stephanie Dehennin, die met behulp van linten, vlaggetjes en stralen de bundel een uitstraling geeft als van een circus, met de wetenschappers als een soort circusartiesten voor de eeuwigheid ingelijst met collagetechniek.

En toch … hoe verder ik in het boek dook, hoe meer de vraag zich opdrong waarom Brokken koos voor de dichtvorm. Zoals ze zelf in haar nawoord schrijft, kan rijm helpen om dingen te onthouden, maar door de korte limerick-vorm bevatten de verzen weinig dat het onthouden waard is. En ook de beknopte informatie onder de verzen schreeuwt om meer… Veel storender is dat de meeste gedichten ritmisch mank lopen en ontsierd worden door gewrongen of onbeholpen rijmen. De limerick laat weliswaar een zekere vrijheid toe (in het rijmschema), maar het strakke metrum maakt een groot deel van de aantrekkingskracht ervan uit en dat leuke, huppelede metrum weet Brokken maar zelden te bewaren. Op het eind van het boek nodigt ze de lezers uit hun eigen limerick te maken. Alleen … de invulvorm die ze geeft, maakt het onmogelijk om net dat prettig gestoorde metrum erin te krijgen. Nog veel kritischer had er gekeken moeten worden naar de rijmen, die al te vaak flauw of geforceerd zijn: ‘Een vrouw bij de Oude Grieken/ hield van puzzels en problematieken/ Ze dacht ook heel verre/ En hield van de sterren/ De eerste vrouw in de kronieken.’ Of ‘Er was eens een vrouw die was Duits/ Schreef tekst en muziek voor het Kruis./ Hield iedereen veilig/ Dat maakte haar heilig/ Ze was van vele markten thuis.’ Of nog ‘Er was eens een kerel uit Brugge/ veel kennis droeg hij op zijn rugge.’ Zo staan er tientallen voorbeelden in de bundel. Sterker zijn dan weer de woordspelingen, zoals in ‘Metrische eenheid’: ‘Volt het voor geen meter/ loopt het hectos in de soepen/ watt is er dan beter/ dan giga hard te roepen.’

Jacotte Brokken heeft het spelen met taal in de genen, en haar poging om wetenschap in versvorm dichter bij haar (jonge) lezers te brengen is lovenswaardig, maar als dichter heeft ze nog een lange weg te gaan vooraleer ze het niveau bereikt van grote voorbeelden als Annie M.G. Schmidt of Shel Siverstein (die ze zelf noemt) of hedendaagse dichters als Edward van de Vendel, Bette Westera of Bibi Dumon Tak (de laatste twee kunnen extra inspireren omdat ze ook over wetenschap dichten).

Jan Van Coillie

 

Nieuw

Thema's

Leeftijd

Auteur