Dit boek toont hoe het moet. Hoe het ‘mag’, misschien beter:
- We mogen dromen. We mogen die dromen najagen, hoe onbereikbaar ze ook lijken. In dit geval droomt Obi ervan om bij de maan te komen, de maan te kunnen vasthouden. Obi houdt immers erg veel van de maan. Je ziet Obi zo reikhalzend staren, verlangen, dat je niet anders kunt dan terugdenken aan de nachten waar je zelf als kind naar die gekke bol lag te turen, de maan met je ogen volgde terwijl de auto de autostradeverlichting langsreed. De streepjes licht die je kamer binnenkwamen. Je zou soms vergeten hoe diep je kon dromen, en dit boek helpt je die dromen samen met de kleine lezers rond je weer te omarmen.
- Vriendschap helpt ons in het onmogelijke te geloven. Vriendschap geeft ons de kracht om te proberen wat we eerder niet durfden, geeft ons nieuwe ideeën. Obi verzint samen met Kobi allerlei manieren om toch maar dichterbij de maan te komen. Een lasso in een circus, lokaas in de tuin, geplante maanzaadjes. Samen kunnen ze de wereld aan, ook al ontdekken we samen op de laatste pagina in dit boek dat uit maanzaadjes dan helaas toch geen maan komt. Maar wel een veld mooie klaprozen!
- Inclusie is gewoon gewoon doen. Obi en Kobe hebben het syndroom van Down, maar dat hoeft geen punt te zijn in dit boek. Er hoeft geen verhaallijn aan gewijd te worden. Het is gewoon zo. Het wordt benoemd als een wistjedatje op de laatste pagina, met wat informatie over chromosomen en kenmerken. Je vindt het samen met de info over maanzaadjes en klaprozen, en een receptje voor shuku shuku. Dat is een Afrikaanse snack, en ook dat hoeft geen thema te zijn.
Het resultaat is een prachtig geïllustreerd verhaal met creatieve pogingen van twee vrienden om een moeilijk te verwezenlijken droom te bereiken. En zo is dit boek zelf een creatieve manier om een andere droom na te jagen: die van een echt inclusieve wereld.
Eline Zenner – in dezen zeker geen objectieve stem, als fiere moeder van een prachtdochter met een extra chromosoom