De kindertijd van slechteriken, gemeneriken en schurken

Onze recensie

‘Er is geen personage zo fascinerend als de slechterik!’ Met deze zin opent dit magische boek met 20 portretten van slechteriken in hun kindertijd. Aan de basis van die portretten liggen vragen: ‘Maar waarom is hij eigenlijk slecht? Is hij zo geboren of is hij zo geworden? Is er iets gebeurd in zijn leven waardoor hij kwaadaardig doet? Misschien toen hij klein was…?’

Elke slechterik krijgt 1 pagina toebedeeld. Meer dan ‘portretten’ zijn het uitgewerkte anekdotes die verklaren waarom die schurken zo slecht geworden zijn, of net niet. Zo verneem je hoe de driejarige Vlad (de latere Dracula) in de slagader van de kokkin en daarna in die van de wasvrouw beet. Hoe de kleine Polyphemos zijn eerste zeeman verslond. Hoe de gepeste kleine James (de latere kapitein Haak) besloot om nooit meer over zich heen te laten lopen, nadat hij onder druk van de pestkoppen een stukje huid van een krokodil, zijn beste vriend, had afgesneden. Of hoe de kleine Doechka werd verstoten door haar gemene grootvader en gepest werd door de kinderen van het dorp, tot ze in de arm van een pestkop beet, waarna er iets in haar ontwaakte: ‘Er was nu een einde gekomen aan een donkere periode in haar leven. Ze zou nooit meer hongerlijden!’

Inspiratie vonden de makers in klassieke verhalen (behalve Dracula en Peter Pan ook de Hartenkoningin uit Alice in Wonderland, Shere Khan uit Jungleboek en de Vos uit Pinokkio), Griekse, Egyptische en Noorse mythen (Polyphemos, Hades, Seth en Loki) en sprookjes en verhalen uit verschillende culturen (zoals de Japanse Yamauba, de Russische heks Baba Yaga, Blauwbaard en de gemene stiefmoeder uit Sneeuwwitje). Achterin het boek vind je over alle figuren een korte tekst van een viertal regels die vertelt hoe ze werden als volwassene.

Veel verhalen zijn best gruwelijk, maar dat geldt ook voor veel sprookjes. Als volwassene moet je dan ook uitmaken of de kinderen aan wie je ze voorleest, die gruwel wel aankunnen. Het woordgebruik is in de vertaling van Pim Lammers precies en kleurrijk, al moet je als voorlezer wel rekening houden met abstracte of moeilijke formuleringen als de volgende: ‘Als ze zijden garen gebruikte, dan schonk ze een mens een uitzonderlijke lotsbestemming. Garen van wol gaf iemand een comfortabel leven en vlasgaren zorgde voor een bohemienbestaan. (p. 18).

Wat dit boek tot een hebbeding maakt, zijn de wonderlijke illustraties van Benjamin Lacombe. Ze intrigeren meteen door de mix van het gemene en het schattige en door de fantastische kleurbeheersing. Ze doen soms denken aan schilderijen van grootmeesters als Hieronymus Bosch, Frida Kahlo of Salvador Dali. En altijd zijn er die grote, starende ogen die je in de prenten zuigen. Niet alleen de menselijke maar ook de dierlijke figuren fascineren, van vlinders over krokodillen tot aapjes. Dat ze kinderen van verschillende leeftijden in de ban houden, kon ik merken toen ik het boek liet zien aan mijn kleinkinderen van 4, 8 en 12, die ook geboeid naar de verhalen luisterden, al moest ik ze soms wel in wat eenvoudiger bewoordingen hervertellen.

Jan Van Coillie

Nieuw

Thema's

Leeftijd

Auteur