Oktober, Oktober

Onze recensie

Wat een bijzonder boek is dit. Van bij de eerste zinnen voel je dat hier een hoogst oorspronkelijk auteur aan het woord is. Een auteur met een ongemeen groot inlevingsvermogen en een verfrissend beeldrijke taal.

Katya Balen leeft zich helemaal in de gevoelens en gedachten van de elfjarige Oktober in, met zo’n intensiteit dat je als lezer meteen een warme sympathie voor het meisje voelt. Oktober leeft met haar vader in het bos, ver van de bewoonde wereld, met bomen en dieren als vrienden. Herhaaldelijk zet ze de band die zij en haar vader met het bos hebben in de verf: ‘Wij wonen in het bos en wij zijn wild’. Haar moeder, die Oktober steevast ‘de vrouw die mijn moeder is’ noemt, liet hen jaren terug in de steek omdat ze het wilde leven in het bos niet aankon. Toch verbrak ze het contact nooit. Bij een bezoek aan het bos vlucht Oktober zoals steeds in een hoge boom. Haar vader klimt haar achterna en valt, waardoor alles verandert. Hij wordt opgenomen in het ziekenhuis en Oktober moet mee met haar moeder naar Londen, een grootstad waar ze zich helemaal verloren voelt tussen al dat onbekends dat haar angst in boezemt, van rijtjeshuizen over de metro tot lawaaierige, stinkende bussen. Gelukkig is er de jonge uil Stig die ze meenam. Maar als ze ook die moet afgeven, voelt ze zich compleet verloren. Haarfijn weet Balen Oktobers eenzaamheid, frustratie, woede en verdriet te” verwoorden. Volgend citaat mag de intensiteit illustreren waarmee ze dat doet: ‘Ik wil bij pap blijven. Dat zeg ik LUIDER steeds LUIDER en ik kan moeilijker steeds moeilijker inademen en de muren bewegen en komen dichterbij en ik wordt geperst en geknepen en fijngedrukt en ik doe mijn ogen dicht tegen de lampen en de muren en ik beweeg door de onmogelijke lucht ook al zijn mijn voeten versteend en ik houd mijn handen tegen mijn oren en schreeuw om alles en iedereen weg te duwen en als ik weer kijk en luister zit ik in de auto en heb ik geen afscheid kunnen nemen.’ (p. 76). Een pluim voor de vertaler ook die erin slaagt om ook het ritme en de klankkleur te bewaren.

En dan is er nog het schuldgevoel dat Oktober verteert. Als lezer voel je die schuld zinderen onder alles wat Oktober zegt en doet, tot het tot een uitbarsting komt: ‘Het komt in een vlaag. De schreeuw en de plotseling lege lucht en de hartkloppende stilte en de dreun. Pap is gevallen omdat ik niet dapper was en niet wild. Hij is gevallen omdat ik een lafaard ben en omdat ik wegliep en me verstopte en het komt door mij dat hij nu duizend kilometer ver weg in stukken ligt …’(p. 108)

Verteerd door gevoelens van vervreemding, woede en schuld slaagt Oktober er zelfs niet meer in weg te duiken in de wereld vol verhalen die ze verzint bij bijzondere vondsten die ze doet of plaatsen waar ze van houdt. Maar dan begint toch een en ander te bewegen. Op school, waar ze tegen haar zin naar toe moet, leert ze Yusuf kennen, met wie ze een bijzondere band ontwikkelt, een vriendschap die de auteur heel fijngevoelig onder woorden brengt, met de conflicten en misverstanden die daarbij horen. Londen wordt ook iets minder vreemd als ze met Yusuf gaat modderjutten in de Thames, op zoek naar schatten en verhalen die haar doen denken aan haar avonturen in ‘haar’ bos’. Daar leert ze ook een begeleidster kennen die haar helpt inzicht te krijgen in zichzelf. Beetje bij beetje beseft ze ook dat haar uil Stig niet echt van haar is en vrijheid nodig heeft. Haar vader wordt geleidelijk aan beter. En ten slotte kan ze ook ‘de vrouw die mijn moeder is’ ‘mam’ noemen, een verandering in haar houding die heel aanvaardbaar verwoord wordt. Uiteindelijk komt ze tot het volgende besef: ‘Wild en vrij zijn is voor iedereen en voor alles anders. ‘p. 219)

Niet alleen de intense inleving in Oktobers belevingswereld neemt je als lezer meteen op sleeptouw, maar ook Balens meeslepende, beeldrijke taal. Dat originele taalgebruik palmt je al vanaf het begin in, met beelden als het volgende over uilen: ‘ze zijn mooi, als geheimen die zijn ingepakt in het donker.’ Oktober, de maand die aan het hoofdpersonage haar naam gaf, zie je als lezer als nieuw door volgende, poëtische beschrijving: ‘Het is als de bomen hun bladeren gaan losschudden op een lapjesvloer en de grond de kleur van vuur krijgt. Het is fris met een fluistering van vorst en het ruikt naar rook.’ (p. 18). En hoe krachtig weet de auteur de stilte op te roepen en hoe moeilijk het is die met woorden te breken: ‘De stilte groeit en hij brult en gaapt wijd open. Ik wil hem dichtmaken met woorden maar net als anders kan ik de goede niet vinden en ze smelten in mijn mond voor ik ze vorm kan geven en ze smaken bitter.’ (p. 194). Tal van zinnen zou je zo willen overschrijven, zeker ook als die met enkele raak gekozen woorden Oktobers gevoelens oproepen: ‘Ik voel mijn huid vonken van opwinding’ (p. 152). ‘De teleurstelling kronkelt als rook om me heen.‘ (p.159). Oktober ziet op tegen een bezoek aan haar vader, ‘vanwege die mistige mantel van schuldgevoel die op mijn schouders rust.’ (p. 173).

Oktober, oktober getuigt van een heel bijzondere inleving in een heel bijzonder meisje, verwoord in zo’n schitterende, sprankelende taal dat je dit ‘bosmeisje’ niet licht zult vergeten.

Jan Van Coillie

Nieuw

Thema's

Leeftijd

Auteur