Wie het werk van Marco Kunst kent, weet dat zijn verhalen en gedichten je als lezer aan het denken zetten, over toekomst en verleden, over natuur versus cultuur, over opgroeien en de verhouding tussen kind- en volwassen zijn. Ook in De bron vloeien deze levensbelangrijke thema’s samen. Het is, zoals veel van zijn verhalen, een fantasierijk avonturenverhaal dat gevoed wordt door mythen. Over die mythen uit verschillende culturen kom je als lezer meer te weten in het tweede, informatieve deel van het boek, dat die verhalen en helden in een ruimere context plaatst van de rotsschilderingen in verschillende werelddelen tot de proto-Indo-Europese oertaal.
Zoals in zoveel avonturenverhalen, onderneemt de held een tocht waaruit ze verrijkt tevoorschijn komt. Nour reist met haar ouders naar Turkije, waar ze bodemschatten willen opgraven. Wanneer ze op verkenning gaat, ontmoet ze de vreemde jongen Omar, die haar naar een grot brengt, waar ze kennis maakt met de stokoude Gaia of Moeder Aarde, die niet alleen heel oud, maar ook doodziek blijkt. Gaia vraagt Nours hulp om haar (en dus ook de aarde) toch voor een tijdje te redden door haar het levenskrachtige water uit de Bron te brengen. Onderweg zal ze meerdere tests moeten ondergaan, waardoor ze ook zichzelf beter zal leren kennen: ‘Het water zal je meenemen naar plaatsen waar je mij laat zien wie je werkelijk bent.’
Die tests komen telkens nadat ze van het magische water uit de Bron drinkt, waardoor ze een visioen krijgt. Die visioenen gooien haar terug in tijd en ruimte, waarbij ze kennis maakt met figuren uit diverse mythen als de Noordse Loki, de Griekse Prometheus, Theseus en Pandora en koning Gilgamesj uit het Midden-Oosten. De mix van een hedendaags coming-of-age verhaal met antieke mythen is op zichzelf een aantrekkelijke verhaalvorm. Alleen had ik in dit geval vaak moeite om in de stroom van het verhaal te blijven meegaan. Het was alsof ik er telkens weer in en uit geworpen werd. De auteur doet herhaaldelijk pogingen om de overgangen naar de visioenen geloofwaardig te maken, maar misschien net omdat hij dat zo nadrukkelijk doet, krijg je het op de duur moeilijk om er nog in te blijven geloven. En dat is jammer, want de verschillende verhalen steekt heel wat boeiends om over na te denken.
Dat begint al bij het ‘Voorwoord: in het begin’, dat een variant is op de mythe van Prometheus, gebaseerd op een versie uit een van de bekendste verzameling mythen, Mythos van Stephen Fry. Prometheus schenkt er tegen de wil van Zeus in, het vuur aan de mensen, wat het begin was van alle ellende voor de planeet Aarde: ‘Nu ze eenmaal over het vuur beschikten, gingen de mensen van alles uitvinden en gingen ze inderdaad denken dat ze beter en belangrijker waren dan alle andere planten en dieren.’ In het eerste visioen dat Gaia Nour bezorgt, wordt duidelijk wat die ellende allemaal inhoudt. Nour neemt de vorm aan van een kraai en ziet de aarde in verval onder zich. De auteur verwoordt dit verval in een lange, meeslepende opsomming vol indringende zinnen als de volgende: ‘Vogels vallen dood uit de lucht. Het regent stervende insecten. En zo gaat het verder. Statige woudreuzen worden omgekapt. Monsterlijke machines nemen happen uit majestueuze oerwouden. Omheinde velden strekken zich uit tot aan de horizon.’ In dergelijke beeld- en klankrijke zinnen laat Kunst zijn meesterschap als stilist zien. Nog een voorbeeld, verder in het verhaal: ‘Grauwe golven beuken bulderend op ruige rotsen en kale klippen. Meeuwen krijsen. Ik kijk op tegen een hoge klif. Het is stervenskoud.’
Hoe erg de aarde er ook aan toe is, toch blijft voor de mens nog altijd de hoop: symbolisch krijgt Nour die van Pandora, die nog maar net alle ongeluk over de mensheid losgelaten heeft. Door wat ze meemaakt steekt Nour nog allerlei levenswijsheden op: zo leert ze dat het paradijs niets is voor de mens: het is uiteindelijk alleen maar verveling, zonder uitdaging. Ze leert ook wat echte moed inhoudt en zelfopoffering. En op het einde krijgt ze van Gaia nog een finaal inzicht over (klein) menselijkheid en de toekomst mee: ‘Oké, je bent en blijft een mens: veel te nieuwsgierig, nukkig, hebberig, maar ook betrokken en oprecht, slim en lief – alles wat al die wispelturige goden jullie nu eenmaal hebben meegegeven. Half god, half beest… Jullie mensen zijn een raar rommeltje, maar het is niet anders. Zolang er kinderen als jij zijn, is er reden voor hoop – hoe anders de toekomst dan ook zal zijn, want dát de wereld blijft veranderen is duidelijk. Kan niet anders.’
De magie van het boek zit voor een groot deel ook in de illustraties van Djenné Fila, die in het oog springen door de gedurfde composities en het schitterende kleurengebruik. Kijk maar naar de wervelende paarden van het paardenvolk in de gele tent tegen een paarse achtergrond. Of naar het overweldigende contrast tussen de kleine, goudgele Nour en de reusachtige, blauwe kop van de Minotaurus, met zijn mengeling van angst en droefheid. Of nog naar de binnenkant van de boom Yggdrasil, die geïnspireerd lijkt door het interieur van Gaudi’s Sagrada Familia. Fascineren om naar te kijken en een waardige pendant voor Marco Kunsts overweldigende beschrijving van die oeroude boom.
Jan Van Coillie