De Goudrijder doet bij de aanvang wat denken aan ‘De zeven raven’ van de gebroeders Grimm. Maya, het hoofdpersonage, heeft net als in Grimms sprookje zeven broers, maar daar houdt de gelijkenis op. Stoffels legt veel sterker de nadruk op het motief van de kleinste zijn en die plaats weten te ontgroeien: ‘Zeven broers die altijd de bas over Maya zijn. Maar nu is het eindelijk een keertje andersom. Zij is de baas over de Goudvogel.’
Anders dan bij de Grimms gaat Maya niet op tocht om haar broers te redden. Ze werd uitgekozen om dat jaar de nieuwe Goudrijder te zijn. Daarvoor moet ze wel de levensgevaarlijke Goudvogel in bedwang kunnen houden. Hoe gevaarlijk die is, weet ze maar al te goed, net alleen door de vele verhalen die de ronde doen, maar ook omdat Tomas, de broer van haar beste vriendin, vorig jaar niet terug kwam als Goudrijder.
Uiteindelijk blijkt Maya’s vogel veel kleiner dan gedacht en ook helemaal niet zo afschuwelijk. Voor ze tot dat besef komt, moet ze zich echter door heel wat gevaren heen worstelen. Ze wordt door Goudrovers met haar vogel neergehaald, ontmoet Tomas, die springlevend blijkt én vriendschap sloot met zijn Goudvogel. Als ze als een rat in de val zit, blijkt ze moediger dan ze dacht. Maar ten slotte wordt ze toch gered door haar vader. Ook hem weet ze er al snel van te overtuigen dat Goudvogels fantastisch zijn. ‘Goudvogels zijn niet gevaarlijk. Wij zijn gevaarlijk.’ Dat iedereen bij die uitspraak begint te applaudisseren, ook de rovers, is weinig overtuigend uitgewerkt.
De sprookjesachtige sfeerschepping weet bij momenten echt wel te betoveren, maar toch is De Goudrijder geen hoogvlieger. Daarvoor zijn sommige plotwendingen te zwak uitgewerkt en sprankelt de stijl ook te weinig, met al te veel passages met korte, gelijklopende zinnetjes die de vaart afremmen.
Blijft vooral bij het kernmotief dat aan het einde nog eens expliciet in de verf wordt gezet: ’We zullen laten zien dat kleintjes ook wat kunnen.’ Een gedachte die veel ‘kleine’ lezers allicht zal aanspreken.
Jan Van Coillie