Beren, honden, katten … ze zijn razend populair als hoofdpersonages in prentenboeken. Maar slangen? Olivier Tallec waagt er zich toch maar aan. Akelig zien ze er niet uit, eerder als uit de kluiten gewassen regenwormen. Bovendien is de ene blauw en de andere rood en op de koop toe draagt de blauwe een grappige, strooien hoed. De humor wordt extra in de verf gezet op de openingsprenten, met het duo dat allerlei turnoefeningen uitvoert.
Intussen kijken ze naar ‘de oneindige hemel vol prachtige wolkenbeelden’. Blauwe slang ziet er een enorme piratenhoed in. Maar volgens de Rode lijkt de wolk op de Blauwe slang als hij te veel en te gulzig gegeten heeft.
Niet alleen over de wolken blijken ze van mening te verschillen. Ook al kennen ze mekaar al heel lang, als ze elke dag weer langs dezelfde dingen wandelen, zien ze nooit hetzelfde. Waar de ene een blauwe lucht ziet, ziet de andere een grijze. Of is het misschien een grijsblauwe of een blauwgrijze. Soms wordt praten vechten, raken ze in de knoop en wordt het minutenlang stil. Op de illustratie wordt die stilte versterkt doordat de twee slangen ver van elkaar verder kruipen met boze blikken, in een desolaat landschap met stekelige cactussen.
Maar de ruzies worden gelukkig snel vergeten en ze helpen mekaar als er gevaar dreigt, zoals bij de slangenbezweerder. Maar de meningsverschillen blijven. Wanneer ze uitgepunt bij een plas water komen, vindt de Rode die half leeg en de Blauwe halfvol.
Als het donker wordt, kijken ze samen naar de sterren en dan blijkt dat ze mekaar uiteindelijk toch op een bijzondere manier aanvoelen en aanvullen.
Opnieuw slaagt Olivier Tallec erin op een uiterst eenvoudige, maar speelse en rake manier diepmenselijke relaties in beeld te brengen en je daarover te doen nadenken.
Jan Van Coillie