Wolfgang is elf jaar, is cognitief sterk functionerend en kan – nomen sit omen – prachtig piano spelen. Sociaal loopt zijn leven niet altijd van een leien dakje, of komt hij toch geregeld zichzelf en zijn patroonvastheid tegen. Wolfgang weet graag wat hij wanneer eet, maakt lijstjes om overzicht te bewaren en heeft zijn astronautenpak nodig wanneer het hem even te kwaad wordt.
Nadat zijn moeder onverwacht sterft, komt hij bij zijn vader terecht. Dat wilde zijn moeder zo, maar het is zeker niet het scenario dat Wolfgang of zijn tante en oma zelf verkiezen. Wolfgang kent zijn vader immers helemaal niet. Het enige wat hij weet is dat hij Wolfgang in de steek liet nog voor hij geboren was.
Wolfgang zoekt manieren om de situatie te ontvluchten, letterlijk en figuurlijk. De enige uitweg die hij ziet, is die van de muziek. Hij probeert in zijn eentje richting Parijs te trekken om er deel te nemen aan een toelatingsproef voor een prestigieuze academie. Zijn ontsnappingspoging mislukt, maar het Parijsplan wordt onverwacht nieuw leven ingeblazen door niemand minder dan zijn vader. Op hun avontuur leren vader en zoon elkaar en zichzelf beter kennen, hoewel dat hen niet toestaat de rivier aan onderlinge verschillen meteen te overbruggen.
Wanneer muziek niet de redding blijkt die was voorzien, vervalt Wolfgang in een diepe crisis, waarbij de dood van zijn moeder in een nieuw daglicht komt. De kracht van familie blijkt helend, met dank aan wederzijdse openheid en begrip.
Dit boek raakt zware thema’s als depressie en zelfdoding aan, verweven met de complexiteit van het leven met een hoog IQ en een sociaal-emotionele kwetsbaarheid. Dit soort onderwerpen worden (al te) vaak vermeden in kinder- en jeugdliteratuur. Dat Aguilar in dit boek probeert om ze samen te behandelen, is dan zeker lovenswaardig. Of het daarbij de beste keuze was om Wolfgang als ik-focalisator het verhaal te laten vertellen, dat is een andere vraag die bij mij als lezer toch enkele bedenkingen oproept.
Voor een volwassen auteur blijft het een delicate evenwichtsoefening om de stem van een elfjarige ik‑verteller geloofwaardig te vertolken. Enerzijds moet je een authentiek perspectief bieden vanuit die jeugdige, complexe ik‑figuur; anderzijds moet je voldoende regie houden over het verhaal. Dat evenwicht wordt hier niet altijd bereikt. Soms sluipt er te veel narratief detail in de tekst, wat moeilijk te rijmen valt met een jonge ik-verteller. Op andere momenten blijven we wel dichter bij de innerlijke leefwereld van die ‘ik’, maar kan de auteur de soms problematische overtuigingen van die ik-persoon daarom niet (meteen) corrigeren. Nog andere keren blijf je als lezer achter met de vraag hoe een elfjarige als Wolfgang überhaupt ‘vanbinnen’ klinkt en of dat wel eerlijk op papier te krijgen valt.
Een voorbeeld: Wolfgang ziet iedereen met een IQ onder de 100 als een ‘spons’, een minderwaardig persoon. In de loop van het boek zie je hem wel worstelen met die veronderstelling, maar lezers kunnen onderweg afhaken, nog voor bepaalde stereotypes rechtgezet worden. Die stereotypes zijn makkelijker te omzeilen wanneer je niet schrijft vanuit het perspectief van een elfjarige, omdat je diens gedachten dan net met wat afstand in woorden kunt vangen.
Lezers kunnen het ook lastig hebben wanneer ze lezen over Wolfgangs échte afscheid met zijn moeder, dat pas aan het einde van het boek komt. Het ik-perspectief zorgt hier voor een erg rauwe beleving van een op zich al rauwe werkelijkheid. Ook hier was een externe verteller misschien wel een veiligere keuze geweest. Veiliger… al is het nog maar de vraag of veiligheid altijd voorop moet staan in kinder- en jeugdliteratuur. Of het niet loont om net het risico te nemen om te kort door de bocht te gaan, of een lezer te verliezen. In de tussentijd hebben we toch maar geprobeerd om door de ogen te kijken van deze getraumatiseerde elfjarige. Hebben we proberen te voelen wat hij moest voelen. Met vallen en opstaan, maar even niet als Grote Mens.
Eline Zenner