Het eiland aan de rand van de nacht

Onze recensie

Er zijn weinig auteurs die als Lucy Strange zo sterk zowel personages als ruimtes kunnen typeren én de emoties die hen verbinden.

In Het eiland aan de rand van de nacht wordt Faye door haar tante, met instemming van haar pleegvader, naar een kostschool gestuurd op een afgelegen, onherbergzaam Schots eiland. Het is een bijzondere school voor ‘slechte kinderen’ die vreselijke dingen gedaan hebben. Faye heeft haar tante verwond en een eeuwenoude boom vernield. Alleen kan ze zich daar niets meer van herinneren. Bij de zoektocht naar haar verloren herinneringen, legt ze beetje bij beetje een sinister complot bloot waarbij de beheerders van de school voor grof geld de kinderen uit de weg willen ruimen.

Dankzij de beeldende stijl van Strange kun je je zowel de personages als de ruimtes duidelijk voor de geest halen. Faye wordt meteen als ‘anders’ getypeerd omdat haar ogen verschillende kleuren hebben. De meeste mensen worden daar zenuwachtig van en vinden ze onnatuurlijk. Maar wat haar het meeste typeert is net haar diepe verbondenheid met de natuur, haar ‘wilde’ kant, die als een leidmotief door het verhaal loopt: ‘Ik adem gulzig in, grote slokken wildernis, diep in mijn longen’ of ‘Ik hol als het wilde wezen dat ik ben, de wildernis in waar ik thuishoor’. Wanneer ze achter een waterval een oeroud bos in het hart van het eiland ontdekt, voelt dat als thuiskomen: ‘Ik was zo verloren en alleen dat ik was vergeten hoe het voelt om ergens te zijn waar ik thuishoor. Ik leg mijn voorhoofd tegen de stam van de lijsterbes en doe mijn ogen dicht.’ Wat ze dan voelt, zindert na bij de lezer door de bijzondere woordkeus van de auteur (en vertaler): ze voelt hoe de lijsterbes zacht ‘die vreemde magie van bomen zingt’ en tegelijk voelt ze ‘een herinnering huiveren’.

Ook de andere personages worden krachtig neergezet. Zoals de rebelse, assertieve Boudicca, bij wie Faye zich meteen op haar gemak voelt: ‘Ik voel de wortels van vriendschap groeien, naar elkaar toe.’ Of prins Filiberto, die ook door zijn ietwat hoogdravende stijl een eigen stem krijgt: ‘Een nobel einde voor een halsdoek. Zich opofferen voor zijn toekomstige koning.’ Fayes pleegvader wordt meteen getypeerd als ‘kwetsbaar, een beetje kapot’. Hij wordt geteisterd door afschuwelijke dromen nadat hij gewond raakte in de Grote Oorlog. Bovendien verloor hij als wetenschapper zijn geloofwaardigheid door een artikel over de magie van bomen. Maar als hij eenmaal het sinistere plan van zijn zus doorzien heeft, komt zijn ware aard naar boven. Hij omarmt zijn dochter, ‘terwijl alle angst en woede en eenzaamheid hun weg naar buiten vinden’. Het zijn precies die emoties die de lezer met Faye mee kan voelen.

Het is ten slotte ook Fayes vader die op het einde de kernboodschap van het boek en misschien wel van heel Stranges schrijverschap verwoordt: ‘Ik denk dat er misschien een punt is waar wetenschap ophoudt en andere dingen beginnen – dingen als liefde en hoop, verwondering en verbeelding, en magie. En ik denk dat sommige waarheden zo diepzinnig zijn dat wij ze niet volledig kunnen begrijpen. In plaats daarvan moeten we ze voelen.’

Net dát kan dit nieuwe meesterwerk van Lucy Strange bij de lezer teweegbrengen: de kracht van de verbeelding laten voelen, die wetenschap en werkelijkheid overstijgt.

 

Jan Van Coillie

 

Nieuw

Thema's

Leeftijd

Auteur