Wees welkom op mijn beste hoed. Gedichten bij onvergetelijke gedichten

Onze recensie

‘Wees welkom op mijn beste hoed’. Deze uitnodigende versregel komt uit ‘Aan de sneeuw’ van Constantijn Huygens, een van de achttien gedichten uit de Nederlandstalige canon die Daniel Billiet samen met drie andere dichters (Jos van Hest, Gil vander Heyden en Bette Westera) voor de jeugd selecteerden voor hun originele boek, bedoeld als opstapje naar die klassiekers.

Elk gedicht wordt gevolgd door een korte, levendig geschreven commentaar en door vier nieuwe gedichten, waarin elk van de vier dichters op een eigen manier in dialoog gaat met de klassieke voorganger. Het zorgt voor boeiende en verrassende ‘interpretaties’, waardoor je de oude gedichten vaak op een andere manier gaat bekijken. Meer nog, ze laten die verzen uit het verleden herleven door ze te verbinden met de leef- en belevingswereld van jongeren van vandaag.

Geregeld maken de dichters gebruik van humor. Zowel Westera als Billiet en Van Hest ondergraven de romantische liefdesverklaring uit Gorters ‘Zie je ik hou van je’ door er een speelse twist aan te geven. In ‘Vivian’ stopte de ik een briefje met ‘Wil je verkering’ in de jas van het verkeerde meisje. De titel van Billiets gedicht spreekt voor zichzelf: ‘Zie je, hij houdt niet van je’. Jos van Hest draait Gorters vers bijna letterlijk een oor af: Je bent lief hoor/ daar niet van/ maar ik vind/ opeens/ je oor zo raar/ zo rommelig/ zo frommelig/ […]. Gil vander Heyden is de enige die verder borduurt op het onzegbare van de liefde in haar typische, compacte stijl vol frêle woorden:

Met mijn zachtste adem

blaas ik een pluisje

van je wang.

Op je hand

naast de mijne

leg ik mijn voorzichtigste

vingers.

’ s Avonds

in bed fluister ik

onhoorbaar je naam.

Bij andere gedichten blijft de toon ernstig, wat vooral met het onderwerp te maken heeft. Zo is ‘De idioot in bad’ van M. Vasalis aanleiding voor gedichten over een zusje met het syndroom van Down, een dementerende de oma, een buitengewone broer en – vanuit een heel andere benadering – een gedicht over hoe het voelt in het warme bad van de moederschoot. ‘Pogrom’ van Ed Hoornik inspireert Billiet tot een ijzersterk gedicht over rassendiscriminatie in het voetbal (‘Hoe scoor ik witter?’). Jos van Hest schreef met ‘Vredesplein’ een origineel gedicht over hoe moeizaam dat ‘plein’ te bereiken is met pogingen door de ‘Rampspoedstraat’, via de ‘Solidariteitssingel’ (‘afgesloten wegens werkzaamheden’ of richting ‘Nooitmeer’. ‘Kolen rapen’ van Gil vander Heyden haalt herinneringen van oma’s op aan de oorlog. In ‘Kleine Wereldgeschiedenis’ verbreedt Bette Westera het motief van de oorlog naar een geschiedenis van de mensheid die steeds meer strepen trok.

Vaak ook laten de dichters zich beïnvloeden door de vorm van het gedicht. Dat is overduidelijk het geval in ‘Voorbij’ van Bette Westera, geïnspireerd door ‘Melopee’ van Paul van Ostaijen. Rond het motief van het voorbij gaan schreef ze een ritmisch en klankrijk gedicht dat net als dat van Van Ostaijen drijft op herhaling. Een fragment: ‘Wolken gaan voorbij wanneer ze langs de hemel zweven. Schrijvers gaan voorbij aan de verhalen die ze schreven./ Dichters gaan voorbij aan waar hun verzen zijn gebleven.’ In haar commentaar bij het gedicht bekent Westera hoe Van Ostaijen haar nieuwsgierigheid voor poëzie opwekte.

Die korte commentaren bij de klassieke gedichten zijn steeds verhelderend en uitnodigend. Soms linkt de dichter het klassieke gedicht aan een bijzondere ervaring uit haar of zijn jeugd, meestal brengt zij of hij de schrijver met enkele goed gekozen details dichter bij de lezer of wordt de link gelegd met onze tijd zoals bij ‘Zomermaand’ van Joost van de Vondel, dat verbonden wordt met dierenwelzijn. Geregeld wordt in de verf gezet dat de oude gedichten nog steeds de moeite waard zijn, bijvoorbeeld in Jos van Hests toelichting bij Huygens’ ‘Aan de sneeuw’: ‘Wat geweldig dat iemand dat vier eeuwen geleden heeft geschreven en dat je ook nu nog zo naar sneeuw kunt kijken.’

De bundel is ruim geïllustreerd door Trui Chielens. Die zorgen er mee voor dat het boek er voor jonge lezers niet uitziet als een saaie dichtbundel. Chielens houdt het bewust sober, zodat de aandacht op de eerste plaats naar de gedichten blijft gaan. Ze werkt enkel met blauw en rood en begeleidt de gedichten met speelse interpretaties van details of emoties. Zo relativeert ze de ‘blitse’ mama van Vander Heyden en laat ze een jongen en een meisje samen aan een ijsje likken bij Billiets ‘Zie je, hij houdt niet van je’. Een van de indrukwekkendste prenten vond ik haar pakkende beeld van dood en leven bij ‘Voor mijn vader’ van Jos van Hest.

‘Opstapjes, hulpstukken, steunwieltjes’ en ‘duwtjes in de rug’ voor de oude klassiekers. Zo typeert Daniel Billiet in zijn verantwoording de nieuwe gedichten die hij en de drie andere dichters schreven. Met een extra duwtje in de rug van een enthousiaste leerkracht kunnen ze beslist zo werken. Meer nog, doordat ze aansluiten bij de leef- en belevingswereld van jongeren, kunnen ze ook een brug slaan tussen henzelf en poëzie.

Jan Van Coillie

Nieuw

Thema's

Leeftijd

Auteur