Nog lang geen later

Onze recensie

In zijn voorwoord geeft Edward van de Vendel drie redenen waarom je niet klaar wil zijn met de gedichten van Kees Spiering als je ze uitgelezen hebt: je begrijpt ineens ‘hoe je tegelijkertijd nu en ooit kunt leven’, ‘hoe woorden naar warm hout kunnen ruiken’ en ‘dat poëzie een hemel kan zijn’. Dat dit zo is, ervaar je meteen als je in deze bundel duikt.

De titel verwoordt haarscherp de tijdsbeleving uit de puberteit, die periode tussen nu en later, tussen kindertijd en volwassenheid. In het titelgedicht typeert hij tussen de regels ‘Vandaag is mijn toekomst/ nog lang niet begonnen’ en ‘Ik word zeker weten prof, maar het is/ godzijdank nog lang geen later’ de verlangens, zorgen en angsten van een jongen die ervan droomt een beroemde voetballer te worden. In het gedicht raakt zijn voetbaldroom verstrengeld met de angst om het uit te maken met zijn liefje, ‘die schrikdraad om haar lichaam heeft gewikkeld’ en voetbal ‘aanstelsport’ vindt.

Telkens opnieuw weet Kees Spiering met krachtige beelden gevoelens herkenbaar te verwoorden. Veel gedichten gaan over angst, ‘geen bediende die gaat zodra jij/ hem niet langer nodig hebt.’ Letterlijk ‘beklijvend’ dicht hij over angst in de tweede strofe: ‘Zoals het zwart op de wanden van kamers/ waar ’s winters open vuur brandt, zo/ kleeft de angst aan iedere wand./ Van mijn binnenkant.’ (‘Allesreiniger’).

Spierings gedichten zijn stevig geworteld in zijn eigen jeugd. Zijn kracht bestaat erin dat hij zijn herinneringen door zijn poëtische verwoording herkenbaar maakt voor jongeren en volwassenen van nu. ‘Bouwplek’ bijvoorbeeld beschrijft uitvoerig hoe de vader met ‘zachte vingers/ die graag boekbladzijden omslaan’ een fantastisch kippenhok timmert. Het slot kruipt helemaal in de belevingswereld van een tiener:

dacht ik niet “saai”, “antiek”, “bestel

gewoon een pizza”, “wegwezen”

of “whatever”, maar “wauw,

dat hij dat kán”. Uiteraard zei ik dit

niet. Ik zei: “Wie wil er nou kippen.”

In ‘Het gele zand’ verwoordt hij wat zijn geboortehuis oproept. In zijn typische stijl met eenvoudige woorden, geplaatst in combinaties die vonken van herkenning slaan, somt hij herinneringen op

Ik woon hier sinds ik adem. Hier stond,

liep, viel ik. Zag ik dag- en maanlicht,

bliksem, sneeuw. Hoorde ik westerstorm,

rook ik zomerheide. Streelde ik een vacht,

proefde ik chocola en spruiten. Zag ik

een schoollokaal, deed mijn lijf wat ik

niet vroeg, werd ik hondgebeten, katgekrabd,

mensgepest. Stond ik naast een dode

Dat Kees Spiering ook brandend actuele thema’s beklijvend kan verwoorden, mag blijken uit zijn typering van mensen op de vlucht in ‘Troostwoord’:

[…] miljoenen op weg van hun plek, hun

gisteren, ongebouwde huizen, het scheermes in hun maag

langs pels, nacht, huid over been en ogen die alleen

nog trage gedachten zien, naar god weet waar

 het niet brandt, […]

 Nog lang geen later is schitterend vormgegeven met indrukwekkende illustraties van Jeska Verstegen. Haar schilderijen ogen surrealistisch. Bij het gedicht ‘Kloof’ tekent ze in close-up een gezicht met een diepe kloof tussen kruin en mond, zwart gras en plaats van haar, tegen een achtergrond met wolkjes die aan Magritte doen denken. Mensen schildert ze vaak als schimmen, bijvoorbeeld bij ‘Wat je wacht’ waar de zwarte figuren op een geploegde akker met kraaien een krachtig beeld zijn voor de angst of in ‘Greta T. en ik’ waar het kleine meisje de confrontatie aangaat met de langgerekte grijze en zwarte schimmen van volwassenen.

‘Dwalen door de tijd’, zo typeerde Kees Spiering de gedichten in zijn vorige bundel Jij begint. Ook in Nog lang geen later kun je dwalen door de tijd en wél zo indringend dat je de tijd vergeet.

Jan Van Coillie

Nieuw

Thema's

Leeftijd

Auteur