Ik was meteen in de ban van Marleen Nelens vorige boek Alles wat licht is (2019). Vooral de fijnbesnaarde manier waarop ze relaties wist te vatten, de meeslepende sfeerschepping en de levendige historische omkadering maakten indruk. Dat is in haar nieuwste boek niet anders en dat dwingt extra bewondering af, want de gekozen setting is een waagstuk. Haar verhaal speelt in Transsylvanië op het eind van de negentiende eeuw. De auteur dringt door in de wereld van ‘het zwervend volk’ of Rom, zigani of zigeuners zoals ze ook worden genoemd. Ze leeft zich niet alleen in hun leef- en belevingswereld in, maar leeft ook intens mee met de manier waarop ze gediscrimineerd en vaak vernederd worden, met als pijnlijkste moment het beklijvende lied van Vali over de marteling van de kleine Felicia. Het is een huzarenstukje om een dergelijke scène zonder overdreven pathos onder woorden te brengen.
Het verhaal begint in 1874 op de idyllische plek waar Mika opgroeit met zijn ouders. Wanneer zijn moeder plots sterft, laadt zijn ontredderde vader zijn bezittingen op een kar en trekken ze naar zee, waar hij hoopt een nieuw leven te beginnen. Onderweg sluiten ze zich aan bij een groep Rom, waar Mika’s vader een complexe band mee blijkt te hebben. Mika leert er Valig kennen en tussen hen groeit een bijzondere vriendschap. In de weergave daarvan blijkt Nelens fijngevoelige stijl, met tactiele zinnen als de volgende: ‘Vali schoof mijn hand onder zijn hemd. Ik voelde zijn hart tegen mijn vingers bonzen, terwijl hij fluisterde: ‘Je kan niet weggaan, want je zit hier.’
Als zijn vader door de politie gevangen wordt genomen en afgevoerd naar een strafkamp, gaat het met Mika van kwaad tot erger, tot hij onderdak vindt bij de schilder Imre, die zijn talent ontdekt. Daar leert hij ook het dienstmeisje Hajna kennen en ook hun prille verliefdheid weet Nelen subtiel onder woorden te brengen. Uiteindelijk blijkt ook Hajna zich te laten meeslepen door de vooroordelen over de Rom, waardoor Mika totaal ontredderd raakt. Zijn botsende gevoelens zet Nelen in enkele raak gekozen woorden neer: ‘en ik haatte Hajna en ik miste haar nu al, en ik haatte mezelf omdat ik haar miste.’ Ook eerder had Vali hem trouwens al voor een verscheurende keuze geplaatst, een fundamentele keuze voor de Rom: ‘Het gaat niet over het gemakkelijkste leven, […] maar over waar je thuishoort.’
Niet alleen in de subtiele, suggestieve manier waarop Nelen menselijke relaties schetst, maar ook in de weergave van tijd en ruimte, toont de auteur haar stilistisch kunnen. Lees maar hoe ze een flash-back introduceert, nadat Mika’s tranen een vlek maakten op het portret van zijn vader: ‘Ik wilde mijn fout ongedaan maken en sleurde aan de tijd tot hij kantelde.’ Of hoe ze met weinig woorden de stilte oproept: ‘De stilte was anders dan alles wat ik ooit had gehoord.’ Of ‘Er viel een lange stilte, die spande als een touw rond mijn nek.’ Mooi zijn ook de passages waarin Nelen de essentie van kunst probeert te verwoorden: ‘Als je schildert met je hart, zie je andere dingen’ of ‘Om het licht te vangen moet je goed naar zijn schaduw kijken. Die twee horen bij elkaar, zoals stilte bij muziek.’
Dat licht is overigens, net als in Nelens vorige boek, een centraal motief in het verhaal, dat nog eens extra in de verf wordt gezet in het citaat van Peter Verhelst, dat het derde en laatste deel van het boek inleidt: ‘Er is zoveel licht, er is zoveel dat wel begrijpen. Nooit zijn we alleen.’ Er is het begrijpen, als licht in de duisternis en er is wat het leven lichter, minder zwaar maakt. Dat ‘begrijpen’ of ‘zien’ van tekens, patronen, wegen is ook wat de Rom verbindt met vogels, een ander belangrijk motief in het verhaal, vogels die vanuit de hoogte ‘kunnen zien: Wat de wegen bedoelen.’
Jan Van Coillie